Het was ochtend. We hadden koffie gedronken en hadden er zin in. In die Grand Canyon. Ik reed en het was nog vroeg. Zo’n uur of half twaalf. Ik naderde een kruispunt. Ik dagdroomde over cowboys en indianen die al vredespijp rokend zich tegoed deden aan heerlijke spijzen en dranken. Vanuit mijn dagdroom zag ik dat het kruispunt rustig was. Er reed niemand. Ik minderde licht vaart en stak over. Langs het STOP-bord.
Ik dagdroomde verder.
Toen zag ik in mijn achteruitkijkspiegel zwaailichten. Heel veel zwaailichten. Het leek wel een discotheek, zoveel zwaailichten zag ik. Allemaal afkomstig van een enkele politiewagen die achter me reed.
Ik stuurde onze foeilelijke wagen (we noemen hem trouwens Gary, het afzichtelijke maar trouwe karretje) naar de zijkant van de weg, zodat de Officer ons kon passeren.
Hij passeerde niet.
Ik begon zowaar te denken dat hij het op ons gemunt had.
En dat had hij ook.
In mijn dagdroom spatte het cowboy en indianentafereel als een zeepbel uiteen. En maakte plaats voor het volgende:
“Put your hands against the car, sir!”
“But I..”
“I repeat: Put your hands on the car, SIR!”
Ik zou mijn handen op de auto leggen. Hij zou mijn benen uit elkaar trappen en me in de boeien slaan. Het zou allemaal gefilmd worden met de surveillance-camera vanuit zijn wagen.
In werkelijkheid was de agent best aardig. Hij vroeg of wij geen STOP-borden hadden. Daar in Holland.
“Inderdaad”, zei ik, „We hebben alleen rotondes en stoplichten.”
Ik wilde ook over het fileprobleem, Ajax, tulpen en molens beginnen, maar ik deed het niet.
Hij stak een preek af. Ik zei steeds Yes en Thank You. Zodat ik liet zien dat ik zijn les serieus nam.
Hij gaf ons geen boete. Hij zag blijkbaar dat ik zijn les serieus nam.
Verder was de Grand Canyon gewéldig.
.