Telefoonterreur
30 oktober 2008Ik treed hier met voeten het gebod, of eigenlijk met toetsen de nettiquette (lekker woord hè, nettiquette, heb ik opgezocht op internet), maar het moet me van het hart: Ik heb een probleem met een groot bedrijf. Eigenlijk heb ik dikke vette oorlog met een teringorganisatie. (Ik schrijf het maar even op zoals het voelt, schrijven is per slot van rekening therapeutisch, soms).Het grote bedrijf doet niet wat het kleine klantje graag wil. En ik wil niets geks of raars. Dat wat ik wil is eigenlijk heel schappelijk en zou normaal gesproken tot open armen, schouderkloppen en geurende kopjes koffie leiden.
Ik wil abonnee worden van T-mobile en maandelijks geld aan het grote bedrijf betalen. Daarvoor moet het bedrijf even een vinkje zetten in een programma, waardoor mijn oude mobiele nummer wordt overgezet naar mijn nieuwe abonnement. Zodat ik mijn shiny, kekke iPhone ook daadwerkelijk kan gebruiken. Dat is wat ik wil.
Intussen heb ik het grote bedrijf meerdere keren gebeld (zeg maar een keer of acht, verspreid over zes weken), maar telkens krijg ik iemand aan de lijn die na drie zinnen het draaiboek voor lastige klanten erbij haalt. Laatst was ik dát ook zat.
Ik zei iets in de trant van “ik ben het zat om met twee telefoons rond te lopen”.
Hij zei: “Ik begrijp dat u het zat bent om met twee telefoons rond te lopen”
Spiegelen is heel belangrijk bij conflicthantering.
“Het duurt nu al weken, ik wil weten waar ik aan toe ben”
“Ik kan me goed voorstellen dat u na weken onduidelijkheid wilt weten waar u aan toe bent”
“Telkens als ik iemand spreek krijg ik hetzelfde te horen”
“Ik zou ook teleurgesteld zijn als ik telkens hetzelfde krijg te horen”
Hé, dacht ik, ik kan hem dingen laten zeggen.
“Ik vind het heel kut! Echt heel erg klote van dat rukbedrijf!”
“Ehm, ik begrijp dat u het … ehm … heel erg vervelend vindt”
Spiegelen!, dacht ik, blijf nou spiegelen. Maar nee hoor, die lol werd me niet gegund.
Maandag had ik iemand aan de lijn die mij vertelde dat hij mijn gegevens niet kon vinden.
Ik voelde woede.
Ineens kon hij het wel weer vinden.
Hij pakte zijn draaiboek voor lastige klanten.
“Leg maar weg, dat boek”, zei ik, “we zijn op het punt gekomen dat ik jouw leidinggevende wil spreken”
“Ja, natuurlijk, dat ga ik voor u regelen”
Ik werd in de wachtstand gedrukt en bezig gehouden met Gerard Joling, Seal en Sting.
Als ik al niet over de zeik was, dan werd ik het wel.
Toen.
“Meneer, mijn leidinggevende gaat u vandaag terugbellen”
En echt, ik zweer het, op die prachtige middag – toen de zon de kou niet uit de stad kon verdrijven, maar toch bleef schijnen – had ik serieus het gevoel dat het einde in zicht was.


