21

21 december 2009

Mijn rem blokkeerde, ik liet mijn fiets op de grond stuiteren. Ik kneep een aantal keer in de rem en toen schoot ie los. Het park was wit. Op het lange, rechte stuk evenwijdig aan de Overtoom stonden twee wagentjes van de gemeente. In de gloed van de oranje zwaailichten waren de twee bestuurders met elkaar aan het praten.
“Goedemorgen”, zei ik.
Ik was de eerste die vandaag over het paadje tussen de naaldbomen reed. Het bruggetje was glad en op het grasveld stonden zeker twintig sneeuwpoppen. Sommigen waren omgevallen of kapotgeschopt. Er waren weinig fietsers op de weg, bijna geen auto’s ook.
Als ik mijn hoofd draaide schoof mijn koptelefoon van mijn oor. Dat kwam door de capuchon van mijn jas. Het is een warme jas. Niet iedereen vind mijn jas mooi, maar ik wel. Op de weg lagen hopen sneeuw en ik kon moeilijk overeind blijven. Het begon heel hard te sneeuwen en ik zat gebogen op mijn fiets. Zo nu en dan kwam ik een andere fietser tegen en dan keken we elkaar aan. Het ging allemaal niet snel en praktisch was het zeker niet. Maar we fietsten door de sneeuw, in een mooie, witte stad.

Vraagstuk

14 december 2009

Ik ben een denker. Over alles denk ik na. Als ik op de fiets zit of op de bank, dan mijmer ik over alle grote problemen waar we op deze aarde mee kampen. Soms los ik grote vraagstukken op. Maar omdat ik dan onmiddellijk weer aan het volgende probleem begin, vergeet ik die oplossing vaak binnen tien seconden.
Soms heb ik geen oplossing. Bijvoorbeeld:
handenwassenAls ik ergens naar de wc ga, bijvoorbeeld in een café of op kantoor, dan was ik altijd graag mijn handen. Na het toiletbezoek draai ik dan met mijn ongewassen handen de kraan open, dan begint de daadwerkelijke reiniging, en vervolgens draai ik met mijn schone handen de kraan weer dicht. Maar als iedereen die kraan opendraait met zijn vieze handen en ik na het wassen diezelfde kraan weer moet beroeren, dan heeft het toch allemaal geen enkele zin?

Waar ik woonde

3 december 2009

In het kindertehuis in Nepal was een speelruimte en daar stond een boekenkast. Er stonden Nepalese kinderboeken en strips. Ik keek naar de boeken en bladerde ze door. Toen zag ik een boek over Nederland.
Holland stond er en op de voorkant waren afbeeldingen van molens en bloemen afgedrukt.
In het boek stonden alle toeristische plekken in Nederland beschreven. Alkmaar stond er ook in. Op de foto van de kaasmarkt op het Waagplein zag ik het huis waar ik toen woonde. Het lag aan de mooiste gracht van Alkmaar.
De kinderen kwamen uit school en we dronken thee met veel suiker.
Luister, zei ik, ik vind het tof dat ik in jullie huis mag zijn.
De kinderen knikte. Zij vonden het ook tof.
Willen jullie mijn huis zien?
Ze knikten weer.
Ik pakte het boek en sloeg hem open bij de foto van de kaasmarkt. Met mijn wijsvinger klopte ik op mijn huis.
Daar woon ik, zei ik.
Iedereen moest heel erg lachen.
De jongens pakten muntstukken en begonnen een spelletje Karam-board.

Zagreb

1 december 2009

Dit weekend waren we in Zagreb voor een familiebezoek. Op zondag was het groot feest bij Igor en we reden naar een buitenwijk in de heuvels. Er stonden mooie dure huizen. We stapten uit en namen flessen drank of een schaal met eten mee en liepen naar binnen. Het was een luxe huis. Ze hadden een flatscreen televisie en een mooie stereo-installatie. Er stond heel veel drank op tafel, ik telde zeker twintig verschillende flessen drank. Van pruimenjenever tot Jagermeister, alles stond op de tafel uitgestald. Ik nam een glas Southern Comfort met cola en we proostten.
“živjeli!”, riep iedereen.
“Proost”, zei ik. Waarom wist ik niet.
Ik wist wel dat ik het altijd deed, in het Nederlands proost zeggen als iedereen in een andere taal spreekt. Daar, in dat luxe huis, besloot ik dat het de laatste keer was. Vanaf nu zou ik in het buitenland geen proost meer zeggen.
Er kwam heel veel eten op tafel. Het was nog maar drie uur ’s middags. Iedereen begon te zingen, ik kende de liedjes niet. Het zingen was gezellig. Iedereen zong mee, niemand keek verlegen om zich heen of trok een verveeld gezicht. Er werd gedronken en gelachen en gezongen. Toen het donker begon te worden was het meeste eten op. Toen kwamen er vier taarten op tafel. Het was niet normaal, zoveel eten dat er was.
Na het eten stond ik buiten en ik keek uit over de stad. De maan gaf Zagreb een witte gloed.

Schakelen

24 november 2009

Vandaag wil ik het met jullie hebben over de versnellingen van mijn fiets. Die zijn namelijk niet in orde. Dat komt omdat ik laatst mijn fiets uit een fietsenrek haalde. Het was zo’n rek waarbij je het stuur in een beugel moest hangen. Het is een zeer onhandige fietsenstalling. Toen ik mijn fiets uit de beugel tilde en het voorwiel met een vrolijke stuiter op de grond wilde laten landen, bleef de versnellingskabel aan de beugel hangen. De kabel moest zeg maar het volle gewicht van de fiets dragen en dat lukte niet. Ik hoorde een geluid dat veel leek op dat van een versnellingskabel die het allemaal niet trok.
Nu is het zwaar trappen of licht trappen. Dat zijn de keuzes. Niet halfzwaar of halflicht. Daarnaast zijn de versnellingen verschoven. Dus de derde versnelling is niet meer de derde, maar de vijfde. En de eerste zit nu bij drie.

Vanochtend was ik dat allemaal even vergeten.
Ik had windje mee en voor me reed een vrouw met een rode jas. Ik wilde haar inhalen en toen ik vlak achter de vrouw reed gaf ik een extra trap en ik kwam langszij.
Ze keek me aan.
Ik schakelde naar een hogere versnelling. De kabel kraakte en de ketting deed ook vreemd. Ik trapte de pedalen ineens heel snel rond. Het zag er vreemd uit, mijn hele bovenlichaam schudde mee met het ritme van mijn benen.
Ik reed nog steeds naast haar. En ze keek mij nog steeds aan.
Ik schakelde terug naar de vorige versnelling en weer begon het te kraken.
Intussen reed zij sneller dan ik.
Het inhalen liep uit op een fiasco.
Uiteindelijk heb ik haar moeten laten gaan.

Stok

23 november 2009

“Waar is je stok dan?”
Hij sloeg met zijn handen op zijn bovenbenen.
Ze keek hem aan. Haar tong hing aan de linkerkant uit haar bek.
“Waar is ie nou?”
Weer de handen op zijn bovenbenen en nu ook een beetje stampen.
Ze draaide haar kop eerst naar links, nog iets meer naar links en toen naar rechts. Ineens richtte ze zich op alsof ze weer wist waar ze die verrekte stok had gelaten. Ze sprintte er vandoor.
Ik zei: “volgens mij smeert ze hem”.
“Nee hoor”, zei hij. “ze smeert hem niet”.
Ik wist nog precies hoe de tak eruit zag. Ongeveer een halve meter lang, met aan een eind een puntig stuk en drie bobbels in het midden.
Ze rende het pad af, we zagen haar gaan, door die flauwe bocht en vlak voordat ze uit het zicht was verdwenen stoof ze rechts het bos in. Het duurde ongeveer anderhalve minuut voordat ze weer uit het bos kwam. Toen sprintte ze weer terug over het pad, nog harder dan net en in haar bek had ze die stok. Dezelfde natuurlijk.
Ik vond het geweldig.

Anita

17 november 2009

Ik kreeg gisteravond een sms van Anita. Ze zei sorry tegen Sandra voor de late reactie. En dat ze het bericht heeft ontvangen. Ze is weer beter en kan morgen weer gewoon werken en ze weet dat ze eigenlijk gewoon even had moeten bellen. Groetjes van Anita, stond onderaan het bericht.
De enige Anita die ik ken staat achter de bar bij café Overtoom. Het is nogal een typetje. Als ik daar Ajax ga kijken schreeuwt ze altijd “Hee lange! Wat ben je laat!”
Soms bestel ik koffie en telkens als ik dat doe zegt ze “Ben je homo ofzo? Neem gewoon bier”.
Laatst viel het beeld weg tijdens een spannend moment in de wedstrijd. Iedereen begon te joelen en ze raakte behoorlijk in paniek. Ze begon te tieren en te vloeken.
“Godverdomme, godverdomme”, schreeuwde ze.
“Hoe werkt dat kutding”.
Wij moesten allemaal erg lachen en daar werd ze alleen maar bozer van.
Toen ze op een tafel stond en achter het kastje met kabels zat te rommelen, riep ik haar naam.
Ze wurmde zich achter de installatie vandaan en keek me aan.
Ik vroeg of ze vier biertjes voor ons had.
“Godverdegodverdegodver!”, brulde ze.
Iedereen moest lachen.
Maar goed, deze sms was van een andere Anita.

Motoragent

16 november 2009

Ik fietste over de Overtoom. Er reed een motorpolitieagent voorbij. Oei, dacht ik, motorpolitieagenten zijn toch altijd typetjes. Als je een keer gewoon normaal voor het stoplicht staat te wachten, gaan ze altijd naast je staan en kijken ze heel bijdehand naar binnen. Alsof het verboden is om achter het stuur te zitten en voor het stoplicht te wachten met twee handen aan het stuur.
Ik stak over en fietste met mijn tiefes-zware boodschappentas verder. In de verte zag ik nog een motoragent. Hij stond op de stoep en die ander reed naar hem toe. Toen zag ik een man hard wegrennen. Dwars over de weg, over de trambaan en recht op mij af. Een motoragent rende achter hem aan en ineens dook een man zonder uniform op.
Hij tackelde de vluchter.
Het leek wel een film en ik vond het wel stoer. (Niet zo stoer natuurlijk, ik ben een angstig hertje, in mijn boodschappentas zat Yogi Tea, als je begrijpt wat ik bedoel).
De motoragent kwam erbij en er ontstond een flinke vechtpartij. Het kostten de twee mannen veel moeite om de vluchter in bedwang te houden.
“Ik doe niks man!”, zei de vluchter, die nu een arrestant was geworden, “hij viel me zo maar aan, ouwe”.
Ik stond er een beetje trillerig bij.
De agent drukte zijn knie in de nek van de arrestant.
De agent keek mij aan en ik wist niet precies of ik mijn duim op moest steken. Het blijft toch een motoragent.
Een Marokkaanse jongen kwam uit het internetcafé gelopen.
“Ha ha”, zei hij, “zo hee”.
Een klant van het internetcafé kwam ook naar buiten. De jongen legde hem uit wat er gebeurd was.
“Het is een Surinamer”, zei de jongen tegen de klant. Hij moest lachen.
De agent riep de arrestantenbus op. Er stonden ineens veel mensen om mij heen.
Een Antilliaanse jongen kwam langsgelopen. Hij bekeek de situatie en liep toen naar de agenten.
“Laat hem eens los”, zei hij, “je doet hem pijn”.
De agenten reageerden niet.
Er kwamen nog meer Antilliaanse mensen bij en allemaal zeiden ze iets tegen de agenten. Het waren geen subtiele bewoordingen.
De enige blanke man in de groep begon te schreeuwen tegen de Antillianen.
Het was één grote racistische vertoning.
De Marokkaan lachte om die Surinamer, de Antillianen scholden de blanke agenten uit, de blanke voorbijganger foeterde tegen de Antillianen.

Enkel

13 november 2009

We moesten zaterdag voetballen en ik voelde aan alles dat ik minstens één doelpunt ging maken. Vorm is een vreemd begrip zeggen de kenners. Dat kan wel zijn, maar ik voelde hem in heel mijn lichaam.
Een doelpunt zou ik maken en een mooie ook.
Toen ik na twintig minuten een geweldig pass gaf dacht ik, dat zou helemaal mooi zijn: een mooie assist én een doelpunt. Maar de bal ging er niet in en dan wordt zo’n pass gelijk een stuk minder mooi. Vijf minuten later nam ik een bal aan. De verdediger was allereerst erg gecharmeerd van mijn uiterst knullige balbehandeling en wilde mij vervolgens manlijk verdedigen. Ik maak dus een beweging, met de bal, naar rechts. Als het was gelukt, was ik ‘los’ geweest en het enige wat ik dan nog hoefde te doen was de bal in de kruising schieten. Of met een lobje over de keeper plaatsen. In ieder geval had ik alle tijd om een mooi doelpunt te verzinnen en uit te voeren.
Maar toen ik de beweging naar rechts maakte, zei mijn rechterenkel ‘de mazzel’ en hij klapte helemaal dubbel. Zo dubbel dat de zijkant van mijn voet als het ware als onderkant fungeerde en ik hoorde gekraak.
De verdediger schrok een beetje.
“Wat doe je nou?”, vroeg hij.
“Heb je even”, zei ik terug “ik ben heel even bezig met het verrekken van mijn enkelbanden”.
De pijn was heftig en ik wist precies wat mij te wachten stond. Een tijdje met pijn rondlopen, een dikke voet, dan een blauwe voet en over drie weken weer voetballen.
De scheidsrechter riep “Er is niets aan de hand!”.
Ik voelde even helemaal geen pijn, enkel onbegrip voor arbitrage in het algemeen.
“Nee!”, schreeuwde de verdediger.
“Er is iets aan zijn enkel”.
Het werd 4-4.

Vrijheid

11 november 2009

Ik zat helemaal achterin. In een Nepalese bus is dat de meest onveilige plek maar als ik op de achterbank in het midden ging zitten en mijn benen in het gangpad wurmde had ik tenminste nog een beetje beenruimte. De bus was stampvol en warm en iedereen keek naar mij want ik was lang. De bus stopte en ik zag door de voorruit een lange rij auto’s voor de bus staan. Ik had ze al eerder gezien, die roadblocks, en ik trok mijn rugzak van het dak en begon te lopen. Ik gokte op een wandeling van anderhalf uur en ik hoopte dat deze roadblock niet door de maoïsten was opgeworpen want dan zou ik flink moeten betalen.

Ik liep langs de lange rij met auto’s en ik passeerde dorpjes en riviertjes en de jungle. Mijn rugzak was zwaar en ik had honger. Ik liep maar door en ik dacht na over alles. De brug over de Narayani-rivier kwam in zicht, het zou niet lang meer duren voordat ik Narayanghat zou bereiken. De rivier was zeker honderd meter breed en aan de oevers zwommen kinderen en deden vrouwen de was.
Ik kocht een blikje cola en uit mijn zak haalde ik een sigaret. Ik ging op mijn rugzak zitten en ik bekeek de mensen, de markt, de honden, de zon, de hemel en de auto’s.
Heel vaak denk ik nog aan dat moment, dat ik daar zat, en dat het helemaal niets uitmaakte of ik daar nog uren bleef zitten, of dagen. En aan de vrijheid die je kunt voelen als je op een rugzak gaat zitten, midden op straat in een land dat in een andere wereld ligt.