De Collega en de Stoel

26 februari 2009

Vandaag was de dag dat mijn collega plat op zijn bakkes viel. Het ging ongeveer zo: We zaten in een vergaderruimte. In die ruimte bestond dringende behoefte aan een stoel. Aangezien andere collega’s heel scherp waren en snel de aanwezige stoelen hadden bezet, ging die ene collega op zoek naar een stoel.
Het zoeken van een stoel ging hem goed af, want na een seconde of veertig hoorde ik het zoevende geluid van een rijdende bureaustoel. Het geluid klonk uit de gang en ik verbaasde me over de horenschijnlijke snelheid van de bureaustoel (horenschijnlijke? Ik kon geen enkel ander woord bedenken, dus dit woord is verzonnen). Ik keek op, naar de deuropening. Eerst zag ik het drempeltje op de grond. Toen zag ik heel snel de wieltjes naderen. Heel snel. Het drempeltje leek niet van plan de wieltjes van de bureaustoel over zich heen te laten rijden. De collega, die de bureaustoel voortduwde als een kinderwagen, wist niet van het bestaan van de drempel af.

De wielen raakten de drempel en de stoel maakte een noodstop.  Mijn collega maakte geen schijn van kans: hij werd gelanceerd. De rugleuning ving hem op en hij pakte met zijn handen de armleuningen. De stoel begon voorover te kantelen. De collega kantelde mee. Waarom weet ik niet, maar hij bleef de armleuningen vasthouden. En toen eindigde hij met zijn hoofd op de grond, met een bons.
Ik heb er een tekening van gemaakt.

Afvoer

23 februari 2009

Het water stroomde afgelopen weekend bijzonder slecht weg uit onze gootsteen. Eigenlijk liep het al de hele week slecht weg uit onze gootsteen, maar zoals met veel dingen in het leven dacht ik: dat lost zichzelf wel op. Maar toen het afspoelwater met stukken drijvend andijvie, aardappel en weet ik veel wat nog meer tot de rand stond, besefte ik dat het zichzelf niet had opgelost.
Integendeel, het had zichzelf verergerd. Dus ik kroop onder het aanrechtblad en stak mijn hoofd tussen een heleboel rotzooi. AH-tassen, afwasborstels en doekjes. Dingen die je in het kastje onder het aanrecht propt om er vanaf te zijn, maar dat was ik dus niet. Toen ik al deze dingen had weggedonderd begon ik buizen los te draaien. Volgens mij dacht mijn liefje dat ik precies wist wat ik deed, want ze ging het tafereel heel ontspannen zitten bekijken. Tijdens het losdraaien sijpelde het water langs mijn onderarmen. Ik stak mijn rechterhand grijpend achter mijn rug en vroeg om handdoek. Ze gaf de gele handdoek met die bloemetjes en ik legde hem onder de druppelende koppeling. Intussen sijpelde het water wel heel hard langs mijn onderarm. Ik vroeg om een emmer en ook die kreeg ik.

Ik kroop een beetje naar achteren (voor meer overzicht) en deed of ik hard nadacht. Dat deed ik ook, maar niet over hoe ik dit op ging lossen. Ik dacht na over de teringzooi die me te wachten stond.

Toen stroopte ik mijn mouwen op en dook weer onder het aanrecht. Ik draaide en draaide en de zwanenhals ging steeds losser zitten. Net toen ik me afvroeg of ik niet iets vergeten was, klonk er een soort explosie. Het afspoelwater met stukken drijvend andijvie en aardappels en weet ik veel wat nog meer spoot met dodelijke snelheid door de smalle opening. Ik proefde afwaswater. In een laffe poging het water tegen te houden kneep ik de twee koppelingen tegen elkaar aan. Daardoor nam de druk toe en spoot het water nog harder door de opening. Ik zat onder een soort douche van goor, vet water. Het was nog een beetje warm, dat water.

Toen de hele gootsteen was leeggelopen over mijn grijze shirt en spijkerbroek, stond ik op. Ik keek mijn liefje aan. Er plakten heel veel vieze dingen aan mij dus ze keek met een heel vies gezicht terug. En toen belde de visite aan.

e-Ticket

20 februari 2009

Ik ging kaarten bestellen voor Rock Werchter. Via een ingewikkelde brainstormsessie had de organisatie blijkbaar besloten om geen kaarten bij de Nederlandse voorverkoopadressen te verkopen. Ik ging online op een .be site en was overgeleverd aan de belgische logica.

Ik ging er eens goed voor zitten en na vijf minuten was er nog niets vreemds gebeurd. Het ging allemaal best vloeiend. Ik selecteerde twee kaarten en toen moest ik inloggen. Ik wilde niet inloggen en ik had geen inlogcode, maar toch moest ik inloggen. Het leek bijna op een Nederlandse website. Toen dat gesodemieter geregeld was, mocht ik twee e-tickets selecteren. Electronische tickets die je kunt uitprinten, lekker makkelijk, geen gedoe met opsturen en verzendkosten. Ik was verheugd, want e-tickets maken mij blij.

Toen ik op Afronden klikte gebeurde er niet zo gek veel. Eigenlijk helemaal niets. Er verscheen geen pdf’je met tickets. Geen printknop om de tickets af te drukken. Niets! Wel stond er een kleine mededeling op het scherm. Dat mijn electronische tickets worden opgestuurd naar het opgegeven afleveradres in Amsterdam. Zeker en vast.

Kachels

18 februari 2009

Zaterdag stond ik op een feestje waar we qua bier konden kiezen tussen Amstel en Grolsch. Verder was het behoorlijk down-to-earth. Er werd heel veel gerookt, het stond blauw en ongeveer een minuut na mijn binnenkomst wist ik dat ik het een leuk feestje ging vinden. Links in de hoek, bij het raam, zaten vier mensen shag te roken. Drie mannen hadden hun benen over elkaar geslagen en droegen donkere brillen. Op de bank zat een stelletje. Zes andere figuren hadden zich achter de pc geschaard en selecteerden telkens met veel kabaal een nummertje. De rest stond wat tegen de muur te hangen. Ik hoorde the Cult en het was mijn smaak.

Er waren veel filosofen en schrijvers. De filosofen zaten heel erg te filosoferen en de schrijvers stonden er allemaal een beetje beduusd bij. Er werd echt heel veel gerookt. Ik dronk Amstel en degene met wie ik stond te praten ook, maar niet al te veel. 

Op een gegeven moment waren alle schrijvers weg en ik zat in een hoekje. Iedereen zat in een kring en er werd gediscussieerd over woningbouwverenigingen en de kachels in hun woningen waar zij zich niet verantwoordelijk voor voelden. Mensen werden heel fel.
Toen zei iemand: “Ik heb er niet om gevraagd, hè.”
Iedereen knikte instemmend.
“Ik heb er niet om gevraagd om in deze wereld te komen”, zei hij weer, en hij plukte een stukje shag van zijn lip.

Gordijnen

13 februari 2009

Een uur geleden stond de overbuurvrouw voor het raam. Ze keek heel bedenkelijk, met haar vuist onder haar kin. Ze stond daar maar, zeker een minuut of tien. Af en toe pakte ze een mok van de vensterbank en nam een slok. Met haar andere hand streek ze door haar haar. Toen deed ze de gordijnen dicht. En dan vraag ik me af, waar dacht ze aan?

Sprintje

12 februari 2009

Terwijl Frans-de-leenkat de afgelopen dagen ons huis stukje bij beetje afbrak (door bijvoorbeeld de bank te mollen, glazen water over Herman Koch boeken te keilen, drinkbakjes om te flippen, door brandende kaarsen heen te rennen en in mijn dure G-star te hangen) was mijn fiets intussen nog steeds kapot. Van de acht (!) versnellingen werkte er eigenlijk maar eentje. Dus ik ging naar een fietsenmaker op de Keizergracht.

De fietsenmaker op de Keizersgracht droeg een blauwe werkjas en er hing een druppel aan zijn neus. Ik vond hem gelijk aardig. Tijdens mijn uitleg van het euvel begon hij steeds moeilijker te kijken. Op een gegeven moment ben ik gestopt met uitleggen, want ik kreeg het gevoel dat hij niet nog veel moeilijker kon kijken zonder zichzelf te bezeren.
“De kabel moet er helemaal uit. Kijk, hier, hier en hier.” zei hij.
Ik keek daar, daar en daar en het zag er geloofwaardig uit.
Toen zei hij dat hij die kabel niet had en dat bestellen een lastig verhaal zou worden. Hij adviseerde mij een Gazelle-dealer op te zoeken.
“Ik ken er eentje, ehm even denken, hier de gracht af, dan links en de Rozengracht afrijden, op de hoek van de Lijnbaansgracht.”
“Dank u hartelijk.” zei ik.
“Of die op de Westerstraat”
“Dank u”, zei ik. En ik ging op mijn zadel zitten.
“En anders kun je het op de Haarlemmerstraat proberen.”
“Ik heb het begrepen, bedankt.”
“Wacht even, op de Spuistraat zit er ook nog één.”
“Prima, vriendelijk bedankt”.
“Maar als je richting de Kinkerstraat rijdt, kun je ook even bij die winkel op de hoek kijken.”
“Uitstekend, merci.”
“Of, ho, ja ja, er zit nog een goeie zaak op de …”
Zijn woorden stierven in de kilheid van mijn verlossende sprint. Best sjeisse trouwens, een beetje flink vaart maken in de zevende versnelling.

Bus

10 februari 2009

“Is bus 15 al geweest?”, vroeg de vrouw, pretty stressful.
“Komt bus 15 hier langs dan?”, vroeg ik terug.
“Jazeker. Maar je weet het maar nooit met bus 15″
“Och jee,” zei ik, zeer gemeend “is het zo’n bus”
Ze knikte en we wisselden een die-bussen-van-tegenwoordig-rijden-ook-nooit-volgens-schema-blik.
“Dan is ie weer te vroeg en dan weer te laat, er is werkelijk geen pijl op te trekken.”
We gingen samen klagen, dat was duidelijk, en ik had er zin in.
“Dáár moeten ze eens wat aan doen,” viel ik haar bij “want een bus die te vroeg is, da’s minstens net zo vervelend als een bus die te laat is.”
“Nou en of”, zei ze, en ze knikte driftig.
Nou en of . Dat vond ik een mooie uitspraak. Er zijn weinig mensen die dat nog zeggen, net als welhaast.
“Er is welhaast geen bus meer te zien die op tijd rijdt.”
Ze schudde haar hoofd.
Ik vroeg me af of ze mijn favoriete woord had gehoord en er iets van vond, maar ze gaf geen krimp.
Toen kwam mijn tram eraan.
“Succes met bus 15,” zei ik. En ik stapte in.
Toen we wegreden, stak ze haar duim op. Ze had het gehoord.

Liefde

8 februari 2009

Sjeuses. Frans en ik bouwen intussen een soort mega-band op. We rollen en stoeien met elkaar. Onder begeleiding van liefdesliedjes dansen we door de kamer. Frans lijkt een man erg leuk te vinden, en dat terwijl hij dat zelf feitelijk ook is. Vannacht had hij zich op slinkse wijze toegang verschaft tot onze slaapkamer, alwaar hij elke beweging van mij opvatte als een uitnodiging tot heel erg leuk en enthousiast spelen. En dat terwijl ik sliep.

Net, op de bank, heeft ie samen met mij brommend en klagend naar Ajax gekeken. En daarna de laatste aflevering van Lost seizoen 4. Straks ga ik naar een verjaardag, maar ik hou het kort, want vanavond willen Frans mijn vriendinnetje en ik nog een filmpje kijken.

Frans

6 februari 2009

“Frans komt bij ons logeren”, zei mijn vriendinnetje.
“Leuk”, zei ik.

“Wie is Frans?”, vroeg ik tien minuten later, toen de essentie van de voorgaande conversatie de kille, lege krochten van mijn hersenen had bereikt. Eerst dacht ik aan Lange Frans. Toen aan Baas B en nog veel later aan Frans Hals.
“Frans!”, riep mijn liefje uit.
“Frans?”, vroeg ik, met hetzelfde fanatisme.
“Ja, Frans! De poes!”

Superhippe vriendinnen van ons hebben een poes. Deze superhippe vriendinnen, moet je weten, zijn lesbisch. Dus Frans heeft, op z’n zachtst gezegd, een lichte voorkeur voor vrouwen. Sterker nog, Frans had tot eergisteren geen flauw benul wat een man was. Dus vanaf het moment dat onze superhippe vriendinnen Frans hadden afgeleverd, heeft hij mij met grote, grote argwaan bekeken.

Als ik door de kamer wandel, sprint ie er vandoor. Als mijn vriendin beweegt, geeft ie kopjes. Als we zitten te eten, komt ie dichterbij, sluipend, nieuwgierig. Als mijn liefje dan iets doet (het maakt niet uit wat) kirt ie van plezier. Als ík iets doe, bijvoorbeeld mijn hand opheffen om een aardappel in mijn mond te steken, dan vliegt Frans als een autistische bromvlieg door het huis. Vanuit de verste hoek van de woonkamer kijkt ie me dan aan met een blik vol teleurstelling.

Praten kan ik ook niet, want mijn stem is te laag en volgens mijn vriendin ‘te heftig’, en Frans gedraagt zich dan alsof ik hem wil vermoorden. Dus praat ik intussen met een hoog stemmetje en loop ik op mijn tenen. Frans de man-fobische poes blijft nog tien dagen in huis.

Lost

3 februari 2009

Momenteel ben ik bezig met een heuse Lost inhaalslag. Een jaar lang heb ik geen episode meer gezien, dus de eerste paar afleveringen van seizoen 4 werden afgelopen week opgeslokt als lekkere spaghetti. Toch voel ik niet meer hetzelfde als toen. Twaalf maanden lang heb ik gedroomd over Kate (ze woonde ineens bij mij in huis) en Jack (we werkten samen bij de geheime dienst). Ik fantaseerde over mijn eigen kleine vliegtuigcrashes die ik allemaal zonder schrammetje overleefde.

In dat Lost-loze jaar werd Lost mooier, spannender, opwindender, vetter en gruwelijker. De acteurs werden in mijn hoofd genomineerd voor Oscars. Ik veerde op bij reclames waarin Jack gezichtscreme voor mannen aanprijst.

Maar nu, als ik kijk naar de afleveringen, die van net-niets aan elkaar hangen en hun bestaansrecht ontlenen aan GTST-achtige cliffhangers, dan weet ik het niet zo goed meer. Kijken naar een serie waarvan ik weet dat het einde wordt gerekt tot het moment dat de kijkcijfers dalen. Het lijkt wel alsof mijn onderbewustzijn dit nu ook weet. Dat het er een jaar over heeft gedaan om te beseffen dat het allemaal maar nep was.