Bowlen
2 februari 2009Bowlen oefent al jaren een onweerstaanbare aantrekkingskracht op mij uit. Geef mij een bowlingbal en ik smijt hem weg. Da’s een beetje hoe het gaat. Laatst vroegen collega’s of ik mee wilde doen, met zo’n bowlingtoernooi. Ik zei ja.
Vorige week was het zover. Binnen in de hal was het warm en druk en ik maakte mij zorgen over mijn warming-up. Dat bleek niet nodig, want bij mijn eerste worp wist ik het: topvorm all over the place. Ik keilde de ene na de andere spare (en soms zeven, dan weer acht) en ik werd bloedfanatiek. Een zwarte polsbrace en een glimmend shirt, dat ontbrak er nog maar aan.
Daarna gingen we slecht en verloren we dik. Toen viel ik even in bij een andere collega. Ik gooide pardoes twee strikes na elkaar – een double dus – en overbrugde een grote achterstand. Nog één strike, en we stonden in de kwartfinale. Een turkey, da’s alles wat we nodig hadden.
Ik voelde me een soort Jeff Lebowski. Iedereen keek naar me, dat kon niet anders, onvermijdelijk. Mensen gingen op de banken staan. Volgens mij. Ze schreeuwden, joelden. Hoorde ik daar het publiek “Rob, Rob, Rob, Rob!”, scanderen? Nee, dat hoorde ik niet. Het was de tegenstander die met tig symphatisanten mij uit mijn concentratie probeerde te halen. Rot op, Rot op, schreeuwden ze.
De aanloop. Ik liep niet, ik zweefde. Mijn arm vloog naar achter, de bal vond zijn hoogste punt en het gewicht deed de rest. Ik richtte alleen maar. Daar, in de verte, op dat kleine stukje leegte, schuin naast de middelste kegel.
De bal vloog door de lucht. In zijn glimmende weerspiegeling zag ik de gekleurde discolampen. Kwam geruisloos ie neer, maakte meer vaart, spinde precies op tijd en bam! Een strike.
Ik draaide me om en maakte me op voor warme knuffels van collega’s. Maar die kwamen niet. Wel wilden drie tegenstanders met mij vechten. En dat vond ik misschien nog wel een groter compliment dan die knuffels die nooit kwamen.
