Blikken

27 mei 2009

‘Ik zag je fietsen. Wat keek je chagrijnig!’, stond er in het smsje van die en die.
‘Moet jij zeggen, met je harses’, wilde ik terug sms’en maar dat leek me bij nader inzien niet volwassen. Normaal gesproken heb ik geen problemen met het bezigen van kinderachtig gedrag, maar sinds ik 32 ben, wil ik volwassen gedrag vertonen. Dus ik stuurde niets terug. Wat ik achteraf ook niet echt volwassen vond. Maar goed, nu heb ik drie keer het woord volwassen gebruikt en dat leest niet lekker. Dus daar stop ik nu mee.

Vanochtend stapte ik op de fiets en ik dacht laat ik eens wat aandacht schenken aan mijn gezichtsuitdrukking. Ik perste mijn hoofd tussen de koptelefoon en toen had ik al geen enkel idee meer hoe ik moest kijken. (Maar genoeg daarover). Enfin, blijkbaar kijk ik normaal gesproken nogal serieus, dus de meest voor de hand liggende optie leek mij de vastgezette glimlach. Deze pose, ook wel bekend als the frozen smile, is bij het grote publiek vooral onder de aandacht gebracht door Sylvie van der Vaart en David Hasselhoff.

Ik trok mijn mondhoeken iets omhoog en begon te fietsen. Na een minuut of wat kreeg ik kramp in mijn wangen. Het was allesbehalve een natuurlijke houding, dus daar verbaasde ik me niet over. Ik ontspande mijn gezicht en ik voelde mezelf wegzakken in de vertrouwde onsympathieke blik. Het voelde goed, maar toch, na ee paar minuten begon het te knagen. Ik had geen zin om als een vleesgeworden depressie door de stad te gaan rijden. Het leek me een goed moment voor de neutrale uitdrukking. Dat betekent, het gezicht niet helemaal laten hangen, maar de wenkbrauwen en mondhoeken íets optrekken, maar niet té.

Op zich ging het redelijk, het kostte mij weinig energie. Bij het stoplicht stond ik naast een vrouw en haar dochtertje. Ze zat op een levensgevaarlijke bakfiets van drie meter lang, maar daar liet ik me niet door van de wijs brengen. Ik keek haar aan. Ze schrok zich kapot, haar gezicht veranderde in een schrikrimpel en met een snelle beweging deed ze beschermend haar hand voor de ogen van haar dochtertje. Te laat blijkbaar, want het meisje begon te huilen. “Ga weg, engerd”, siste de vrouw. Snel liet ik de neutrale uitdrukking van mijn gezicht afglijden. “Je bent zelf eng, met je kutbakfiets”, zei ik, en ik fietste ervandoor.

Dat was kinderachtig en mijn blik stond weer chagrijnig. Maar sindsdien is niemand meer door mij in huilen uitgebarsten.

Berg

26 mei 2009

Ik ben een opgeruimd mannetje. Als de boel bij mij niet van kant is, dan raak ik in paniek. Intussen ben ik reeds twee jaar in een constante staat van paniek. Want ik ben dus helemaal geen opgeruimd mannetje meer. Er is iets veranderd aan mij. Gewoon van één op andere dag ruim ik helemaal niets meer op. Het is bij mij een grote bende. Laatst had ik een akkefietje met OXXIO en ik belde met een aardige mevrouw. De aardige mevrouw werd op een gegeven moment wat minder aardig. Omdat mijn administratie een treffende gelijkenis vertoont met een berg teringbende (!), waren mijn OXXIO bewijsstukken onvindbaar. Maar meanwhile stond die OXXIO-vrouw mij vreselijk uit te dagen met moeilijke vragen als: “Als u zegt dat onze afrekening niet klopt, wat is dan volgens u de eindstand?”. Ik keek naar de berg papier en zei iets als “zeg mevrouw, gaan we hier een beetje onvriendelijke lopen doen?” en daarna “weet u wat, ik bel later wel terug, want zo hoeft het van mij niet”.

Als een apatische hond heb ik het hele huis doorzocht en niets gevonden en toen dacht ik dat gaat mij niet nog een keer gebeuren. Ik ga zo snel mogelijk dit huis opruimen en zorgen dat ik alles weer kan vinden. Met opbergdozen en gestickerde mappen enzo. Ik haal die oude opgeruimde Rob weer tevoorschijn en weg met de ongeordendheid die paniek heet. Nou, dat ga ik dus doen vanavond. Ik begin met dingen weggooien en op die manier werk ik mezelf door mijn werkkamer heen, naar de berg administratie. Dan bel ik die mevrouw van OXXIO morgen even terug.

Muziek

25 mei 2009

Soms draai ik een nieuwe plaat en dan ben ik onmiddellijk overdreven enthousiast. Ik sms dan vrienden en zeg dat ze die en die plaat moeten luisteren want dat is het beste wat er is. Meestal sturen ze iets terug van ja, oke, hoeist verder of moet je niet werken?. Die platen zijn meestal na een paar keer draaien nog steeds leuk maar drie weken later verder vind ik het ineens een stuk minder goed allemaal. Er zijn wat cd’s waarbij ik dat nooit heb gehad. Die lagen dan eerst een paar maanden niets te doen, dan draaide ik ze een keertje, vond het niks en zette hem even later toch nog een keer op en raakte dan betoverd. Turn on the Bright Lights van Interpol heeft drie jaar onbeluisterd in mijn kast gestaan en ineens op een dag – het was zomer en ik had verdriet – pakte ik hem op en heb hem nooit meer losgelaten.
Pearl Jam is ook zo’n band. Als je door de grens van het tweede album kunt doorbreken, dan zitten ze in je hart. 
Met Jan Smit heb ik niks. Maar anderen hebben Wesley Sneijder nodig om daarachter te komen.

Sjezus

13 mei 2009

Nog effe over die hippe koptelefoon van mij:  Het is niet eenvoudig om met een dergelijke hipheid rond te fietsen. Want als ik bijvoorbeeld het haar uit mijn gezicht wil strijken, en met een vlotte beweging een pluk achter mijn oren wil vouwen, dan veeg ik gelijk de hele koptelefoon van mijn hoofd. De ene oordop schuift dan op mijn achterhoofd en de andere over mijn ogen. Als je dan bij een stoplicht staat, waar ook andere fietsers staan, en automobilisten, en soms ook voetgangers, dan is dat best een genante situatie. Want ik zie dus geen ruk en maak paniekerige bewegingen en dat past allemaal niet bij de hipness van zo’n koptelefoon.
Daar komt nog bij dat als ik gebeld wordt, ik nu niet meer met mijn handige iPhone-oordopjes kan bellen, want dat kan niet met deze koptelefoon. Dus dan moet ik heel snel het stekkertje eruit trekken, het ding van mijn hoofd halen en de telefoon opnemen. Vooral het ding van mijn hoofd halen is best essentieel. Want laatst, bij de Emmalaan, had ik wel het stekkertje uit mijn telefoon getrokken en opgenomen, maar toen ik de telefoon tegen mijn oor drukte, bleek mijn koptelefoon nog op mijn hoofd te zitten. Sjezus.

Wedding

11 mei 2009

We hadden een bruiloft in Engeland en ik kende helemaal niemand. Zelfs niet degenen die gingen trouwen. Ik had gematigde zin in dit spektakel, maar toen we vanaf het vliegveld naar Gloucester links reden vond ik het al erg leuk met al die heuvels en kastelen. Ik waande mezelf al snel een soort Robin Hood maar mijn vriendinnetje hield me op aarde (“je rijdt nu met je linkerwiel door de berm. Al een minuut of vijf”).

We kwamen aan bij het landhuis met een enorm gazon en een meertje met eenden erin. Ik wilde onmiddelijk in Engeland wonen maar mijn vriendinnetje wilde eerst inchecken.
Op de bruiloft ging het allemaal heel traditioneel met een strijk-orkestje en alles en ik wist van gekkigheid niet hoe ik me moest gedragen. Daarna was de receptie en gelukkig gingen alle gasten als een gek aan de alcohol. We gedroegen ons volgzaam.

Het diner was zo officieel dat ik van de zenuwen gelijk met mijn stropdas in het voorgerecht hing. Ene Paul begon tegen mij over voetbal te praten en ik werd overdreven enthousiast. We hadden het over ChelseaBarcelona en hij zei “We was robbed”. Ik schudde mijn hoofd en zei “No”.
En vlak voordat ik “I think it’s good that Arsenal and Chelsea are out of the Champions League”, zei, viel – heel erg toevallig – iedereen stil. Een oorverdovende stilte vulde de ruimte, stuiterde tegen de muren en kwam als een lawine over mij heen zetten. Zelfs mensen van de verste tafel draaiden hun hoofd naar mij toe. Aan de andere kant van de stilte hoorde ik mijn vriendinnetje iets zeggen.
Ze zei “Lekker Waumans, dat wordt een mooie avond”.
“It’s a joke”, zei ik snel en ik hief mijn glas. Gelukkig gaf Paul me een joviale klap op de schouder en vanaf dat moment werden we allemaal dronken.

Tijdens de feestavond bedacht Paul ineens dat ik niet Rob Waumans was, maar Robbie Savage. Dat schreeuwde ie toen heel hard door de zaal en hij haalde iedereen erbij. Enfin, om een lang verhaal kort te maken: het was leuk.

Lunch

7 mei 2009

Ik werk op een plek waar ik niemand ken en waar ik niet weet hoe alles werkt. En dan ben ik niet op mijn best. Ik wandel per ongeluk de damestoiletten in en loop zelfs met koffie over de hal (overtreding!). Nooit ben ik stil, maar hier zeg ik niet veel. Ik lach zelfs niet meer om mijn eigen grappen. Sterker nog, ik maak überhaupt geen grappen (haha).

Ik ben mezelf niet.

Ook de lunch gaat hier anders. Mensen eten meegebrachte boterhammen op aan hun bureau of verdwijnen gewoon in een lunchvacuüm. Zonder iets te vragen, of te zeggen. Gewoon, weg.

Beteuterd ging ik op zoek naar een lunchplek. Ik liep naar buiten, toen naar rechts, rechtdoor met de bocht mee naar links en daar was een drukke weg. Naast een café zag ik een lunchtent maar die puilde uit van mensen die wel met collega’s gingen eten dus ik liep snel door. Ik zocht en zocht en vijftien minuten later was mijn pauze gehalveerd. Het werd tijd voor actie en ik stapte bij een tentje waar Lunchroom op stond naar binnen. Het was helemaal geen lunchroom maar een vieze, ongezellige snackbar. Mijn lichaam zei “Rennen, snel!”. Maar de vrouw achter de toonbank keek me doordringend aan. Prompt durfde ik de snackbar niet meer te verlaten.  Haar ogen waren haar wapens; ik zou gaan snacken.

Ik trommelde met twee vingers op mijn kin en tuurde naar het menubord. De vrouw keek me nog steeds doordringend aan. Prompt durfde ik niet meer rustig op mijn gemak een keuze te maken, en ik bestelde een broodje kroket en een bolletje kaas. Omdat dat als eerst in mijn hoofd opkwam. Eigenlijk had ik een pistoletje tonijnsalade, een saucijzenbroodje, een pikanto mayo/saté en een hamburger gewild. Maar dat zag ik pas op het bord staan toen ik met een niet vers geperste jus d’orange aan een plakkerig tafeltje zat.
Een oude hond ging onder mijn stoel liggen. Hij was lief maar het beestje stonk. Ik at mijn broodje en toen ik een hap van mijn kroket nam, viel er een stuk brood met mosterd op mijn broek. Het werd een vetvlek.

Later, toen ik weer op mijn werkplek zat, rook ik een frituurlucht. Het kwam uit mijn kleren.

Warm

5 mei 2009

Ineens wilde ik een koptelefoon kopen. Hij moest zeker niet te groot zijn en er moest goed geluid uit komen, dat was het wel zo’n beetje. Een ding waaruit de muziek mooier klinkt dan nu.
Op straat zie ik altijd veel mensen met enorme koptelefoons. Van veel van die types vermoed ik dat ze hem niet eens hebben aangesloten op een mp3 speler, maar alleen maar als een ketting om hun nek hangen. Ik heb daar een mening over, maar da’s normaal voor het Zuivere Stier Type, die hebben overal een mening over.

Ik liep over straat en na lang lopen kwam ik in een winkel waar ze koptelefoons verkochten. Het waren vooral hele grote exemplaren met veel kleuren. Ik vroeg de man achter de toonbank naar de allerkleinste koptelefoon die ze verkochten.
“Wil je geen oordopjes?”, vroeg ie.
Ik schudde mijn hoofd. Ik wilde een koptelefoon.
Hij pakte er eentje van de wand. Met gefronste wenkbrauwen bekeek ik het apparaat. Eigenlijk vond ik hem nogal fors.
“Best wel groot”, zei ik.
“Ja, maar waarom neem je dan geen oordopjes?”, zei hij.
“Nou, dat komt omdat ik het Zuivere Stier Type ben, en die zijn enigszins materialistisch, en als ze dan ergens hun zinnen op hebben gezet, dan houden ze geen maat en overdrijven ze sterk”, zei ik. En ik zwaaide met een dun, groen Stier-boekje.
Uiteindelijk kocht ik de kleinste koptelefoon en toen ik buiten was probeerde ik dat ding uit de verpakking te halen. Na de worsteling met het plastic zette ik hem op mijn hoofd en plugde ik hem in mijn iPod. Het geluid klonk oké, zeg maar precies hetzelfde als uit mijn oordopjes. En toen ik begon te lopen, de hele weg terug, werden mijn oren warmer en warmer.

Bloemen

4 mei 2009

Ik wilde bloemen kopen voor op ons balkonnetje, want dat staat leuk en als je er zit ruikt het zo lekker. De bloemenman op de Kinkerstraat had heel veel planten uitgestald dus ik dacht, daar moet ik zijn. Ik zette mijn fiets op de stoep en op dat moment kwam de bloemenman naar buiten gekuierd. Het was een echte Amsterdammer, althans, zo liep ie. Op de kruising botsten twee fietsers bijna tegen elkaar. De een zei tegen de ander, “hee joh, ik kom van rechts”. De ander zei, “je moet je bek houden”.
“Gezellig”, zei ik tegen de bloemenman.
Toen begon ie.
Over vroeger, dat ie er al vijfendertig jaar staat, hier, op de Kinkerstraat en dat het alleen maar erger wordt, dat gezeik. Dat ie zo’n zwager had, ook al zo’n miezerig mannetje, die aan niks en niemand zijn liefde kon geven maar alleen maar zat te zeiken over zijn vader – mijn schoonvader hè! – en dat ie hem op een gegeven moment, na eerst drie neutjes achterover geslagen te hebben, zó zijn huis heeft uitgedonderd. En dat er altijd een man loopt, hier over de Kinkerstraat, met een wandelstok waar een zwaard in zit. Een zwáárd! Waar heb je nou een zwaard voor nodig?
Toen begon ie over die Marokkaantjes met grote bekken die bij hem lopen te treiteren en te sarren en als ie er wat van zegt dat dan gelijk twintig van die klerelijertjes op scooters aan komen rijden. Ook kwam Karst T. nog even langs, die gore klootzak die na de eerste de beste tegenslag gelijk helemaal doordraait.
Ik vroeg wat die gele bloemen kostten, en die rode en die paarse. Het was niet zo gek duur allemaal en toen ik ze mee wilde nemen en vroeg hoe ik dat moest doen op de fiets, zei ie, “Maar meneer, we hebben hele, hele grote zakken, daar kan alles in”
“Zo”, zei ik,  “da’s  mooi”.