Schakelen

24 november 2009

Vandaag wil ik het met jullie hebben over de versnellingen van mijn fiets. Die zijn namelijk niet in orde. Dat komt omdat ik laatst mijn fiets uit een fietsenrek haalde. Het was zo’n rek waarbij je het stuur in een beugel moest hangen. Het is een zeer onhandige fietsenstalling. Toen ik mijn fiets uit de beugel tilde en het voorwiel met een vrolijke stuiter op de grond wilde laten landen, bleef de versnellingskabel aan de beugel hangen. De kabel moest zeg maar het volle gewicht van de fiets dragen en dat lukte niet. Ik hoorde een geluid dat veel leek op dat van een versnellingskabel die het allemaal niet trok.
Nu is het zwaar trappen of licht trappen. Dat zijn de keuzes. Niet halfzwaar of halflicht. Daarnaast zijn de versnellingen verschoven. Dus de derde versnelling is niet meer de derde, maar de vijfde. En de eerste zit nu bij drie.

Vanochtend was ik dat allemaal even vergeten.
Ik had windje mee en voor me reed een vrouw met een rode jas. Ik wilde haar inhalen en toen ik vlak achter de vrouw reed gaf ik een extra trap en ik kwam langszij.
Ze keek me aan.
Ik schakelde naar een hogere versnelling. De kabel kraakte en de ketting deed ook vreemd. Ik trapte de pedalen ineens heel snel rond. Het zag er vreemd uit, mijn hele bovenlichaam schudde mee met het ritme van mijn benen.
Ik reed nog steeds naast haar. En ze keek mij nog steeds aan.
Ik schakelde terug naar de vorige versnelling en weer begon het te kraken.
Intussen reed zij sneller dan ik.
Het inhalen liep uit op een fiasco.
Uiteindelijk heb ik haar moeten laten gaan.

Stok

23 november 2009

“Waar is je stok dan?”
Hij sloeg met zijn handen op zijn bovenbenen.
Ze keek hem aan. Haar tong hing aan de linkerkant uit haar bek.
“Waar is ie nou?”
Weer de handen op zijn bovenbenen en nu ook een beetje stampen.
Ze draaide haar kop eerst naar links, nog iets meer naar links en toen naar rechts. Ineens richtte ze zich op alsof ze weer wist waar ze die verrekte stok had gelaten. Ze sprintte er vandoor.
Ik zei: “volgens mij smeert ze hem”.
“Nee hoor”, zei hij. “ze smeert hem niet”.
Ik wist nog precies hoe de tak eruit zag. Ongeveer een halve meter lang, met aan een eind een puntig stuk en drie bobbels in het midden.
Ze rende het pad af, we zagen haar gaan, door die flauwe bocht en vlak voordat ze uit het zicht was verdwenen stoof ze rechts het bos in. Het duurde ongeveer anderhalve minuut voordat ze weer uit het bos kwam. Toen sprintte ze weer terug over het pad, nog harder dan net en in haar bek had ze die stok. Dezelfde natuurlijk.
Ik vond het geweldig.

Anita

17 november 2009

Ik kreeg gisteravond een sms van Anita. Ze zei sorry tegen Sandra voor de late reactie. En dat ze het bericht heeft ontvangen. Ze is weer beter en kan morgen weer gewoon werken en ze weet dat ze eigenlijk gewoon even had moeten bellen. Groetjes van Anita, stond onderaan het bericht.
De enige Anita die ik ken staat achter de bar bij café Overtoom. Het is nogal een typetje. Als ik daar Ajax ga kijken schreeuwt ze altijd “Hee lange! Wat ben je laat!”
Soms bestel ik koffie en telkens als ik dat doe zegt ze “Ben je homo ofzo? Neem gewoon bier”.
Laatst viel het beeld weg tijdens een spannend moment in de wedstrijd. Iedereen begon te joelen en ze raakte behoorlijk in paniek. Ze begon te tieren en te vloeken.
“Godverdomme, godverdomme”, schreeuwde ze.
“Hoe werkt dat kutding”.
Wij moesten allemaal erg lachen en daar werd ze alleen maar bozer van.
Toen ze op een tafel stond en achter het kastje met kabels zat te rommelen, riep ik haar naam.
Ze wurmde zich achter de installatie vandaan en keek me aan.
Ik vroeg of ze vier biertjes voor ons had.
“Godverdegodverdegodver!”, brulde ze.
Iedereen moest lachen.
Maar goed, deze sms was van een andere Anita.

Motoragent

16 november 2009

Ik fietste over de Overtoom. Er reed een motorpolitieagent voorbij. Oei, dacht ik, motorpolitieagenten zijn toch altijd typetjes. Als je een keer gewoon normaal voor het stoplicht staat te wachten, gaan ze altijd naast je staan en kijken ze heel bijdehand naar binnen. Alsof het verboden is om achter het stuur te zitten en voor het stoplicht te wachten met twee handen aan het stuur.
Ik stak over en fietste met mijn tiefes-zware boodschappentas verder. In de verte zag ik nog een motoragent. Hij stond op de stoep en die ander reed naar hem toe. Toen zag ik een man hard wegrennen. Dwars over de weg, over de trambaan en recht op mij af. Een motoragent rende achter hem aan en ineens dook een man zonder uniform op.
Hij tackelde de vluchter.
Het leek wel een film en ik vond het wel stoer. (Niet zo stoer natuurlijk, ik ben een angstig hertje, in mijn boodschappentas zat Yogi Tea, als je begrijpt wat ik bedoel).
De motoragent kwam erbij en er ontstond een flinke vechtpartij. Het kostten de twee mannen veel moeite om de vluchter in bedwang te houden.
“Ik doe niks man!”, zei de vluchter, die nu een arrestant was geworden, “hij viel me zo maar aan, ouwe”.
Ik stond er een beetje trillerig bij.
De agent drukte zijn knie in de nek van de arrestant.
De agent keek mij aan en ik wist niet precies of ik mijn duim op moest steken. Het blijft toch een motoragent.
Een Marokkaanse jongen kwam uit het internetcafé gelopen.
“Ha ha”, zei hij, “zo hee”.
Een klant van het internetcafé kwam ook naar buiten. De jongen legde hem uit wat er gebeurd was.
“Het is een Surinamer”, zei de jongen tegen de klant. Hij moest lachen.
De agent riep de arrestantenbus op. Er stonden ineens veel mensen om mij heen.
Een Antilliaanse jongen kwam langsgelopen. Hij bekeek de situatie en liep toen naar de agenten.
“Laat hem eens los”, zei hij, “je doet hem pijn”.
De agenten reageerden niet.
Er kwamen nog meer Antilliaanse mensen bij en allemaal zeiden ze iets tegen de agenten. Het waren geen subtiele bewoordingen.
De enige blanke man in de groep begon te schreeuwen tegen de Antillianen.
Het was één grote racistische vertoning.
De Marokkaan lachte om die Surinamer, de Antillianen scholden de blanke agenten uit, de blanke voorbijganger foeterde tegen de Antillianen.

Enkel

13 november 2009

We moesten zaterdag voetballen en ik voelde aan alles dat ik minstens één doelpunt ging maken. Vorm is een vreemd begrip zeggen de kenners. Dat kan wel zijn, maar ik voelde hem in heel mijn lichaam.
Een doelpunt zou ik maken en een mooie ook.
Toen ik na twintig minuten een geweldig pass gaf dacht ik, dat zou helemaal mooi zijn: een mooie assist én een doelpunt. Maar de bal ging er niet in en dan wordt zo’n pass gelijk een stuk minder mooi. Vijf minuten later nam ik een bal aan. De verdediger was allereerst erg gecharmeerd van mijn uiterst knullige balbehandeling en wilde mij vervolgens manlijk verdedigen. Ik maak dus een beweging, met de bal, naar rechts. Als het was gelukt, was ik ‘los’ geweest en het enige wat ik dan nog hoefde te doen was de bal in de kruising schieten. Of met een lobje over de keeper plaatsen. In ieder geval had ik alle tijd om een mooi doelpunt te verzinnen en uit te voeren.
Maar toen ik de beweging naar rechts maakte, zei mijn rechterenkel ‘de mazzel’ en hij klapte helemaal dubbel. Zo dubbel dat de zijkant van mijn voet als het ware als onderkant fungeerde en ik hoorde gekraak.
De verdediger schrok een beetje.
“Wat doe je nou?”, vroeg hij.
“Heb je even”, zei ik terug “ik ben heel even bezig met het verrekken van mijn enkelbanden”.
De pijn was heftig en ik wist precies wat mij te wachten stond. Een tijdje met pijn rondlopen, een dikke voet, dan een blauwe voet en over drie weken weer voetballen.
De scheidsrechter riep “Er is niets aan de hand!”.
Ik voelde even helemaal geen pijn, enkel onbegrip voor arbitrage in het algemeen.
“Nee!”, schreeuwde de verdediger.
“Er is iets aan zijn enkel”.
Het werd 4-4.

Vrijheid

11 november 2009

Ik zat helemaal achterin. In een Nepalese bus is dat de meest onveilige plek maar als ik op de achterbank in het midden ging zitten en mijn benen in het gangpad wurmde had ik tenminste nog een beetje beenruimte. De bus was stampvol en warm en iedereen keek naar mij want ik was lang. De bus stopte en ik zag door de voorruit een lange rij auto’s voor de bus staan. Ik had ze al eerder gezien, die roadblocks, en ik trok mijn rugzak van het dak en begon te lopen. Ik gokte op een wandeling van anderhalf uur en ik hoopte dat deze roadblock niet door de maoïsten was opgeworpen want dan zou ik flink moeten betalen.

Ik liep langs de lange rij met auto’s en ik passeerde dorpjes en riviertjes en de jungle. Mijn rugzak was zwaar en ik had honger. Ik liep maar door en ik dacht na over alles. De brug over de Narayani-rivier kwam in zicht, het zou niet lang meer duren voordat ik Narayanghat zou bereiken. De rivier was zeker honderd meter breed en aan de oevers zwommen kinderen en deden vrouwen de was.
Ik kocht een blikje cola en uit mijn zak haalde ik een sigaret. Ik ging op mijn rugzak zitten en ik bekeek de mensen, de markt, de honden, de zon, de hemel en de auto’s.
Heel vaak denk ik nog aan dat moment, dat ik daar zat, en dat het helemaal niets uitmaakte of ik daar nog uren bleef zitten, of dagen. En aan de vrijheid die je kunt voelen als je op een rugzak gaat zitten, midden op straat in een land dat in een andere wereld ligt.

Geluk

9 november 2009

Eerst wilden we met die jongens naar Nemo, maar met dit weer moet je eigenlijk buiten zijn dus haalden we de jongens bij hun opa en oma op en reden we naar het bos. Het was koud, eigenlijk te koud voor de kleren die ik droeg. En mijn mooie nieuwe schoenen waren te mooi om mee door een vochtig bos te lopen. Maar de zon scheen en de lichtstralen die als gouden slingers tussen de bomen hingen gaven het bos een paradijselijk aanzicht.

We bouwden een hut en de jongste vond een motje dat op de grond zat. Het motje trilde heel erg en volgens hem was ie erg bang. Hij tilde hem voorzichtig op en legde hem een stuk verder in het bos. Waar geen grote mensen rondliepen en waar ie nooit meer bang zou zijn. Intussen bouwde de oudste gestaag verder aan zijn hut. Maar na een tijdje was dat ook niet meer zo leuk en toen liepen we verder.
We gingen eten in een restaurant. In het midden stond een houtkachel en het was er lekker warm. Ik haalde appeltaart, Fristie, water en patat en toen ik terug kwam vroeg de jongste of wij ook verdrietig waren als we aan Mama moesten denken.
“Ja”, zeiden we.
“Ik ook”, zei hij en hij draaide aan de armbandjes om zijn pols. Die waren van zijn moeder geweest, er hingen steentjes aan met afbeeldingen van Boeddha.
“Mama zei dat Boeddha geluk brengt”, zei hij en slurpte zijn flesje Fristie leeg.
“Wil je met mij trouwen”, vroeg hij toen aan mijn vriendin.

Meneer van Duin

6 november 2009

Op het bruggetje bij de Prinsengracht zag ik Andre van Duin. Hij had geen scheve bakkes maar keek vrij normaal de wereld in. Hij liep op de stoep en er kwamen twee mensen achter hem aangerend. Een man en een vrouw.
“Meneer van Duin, meneer van Duin”, riep de vrouw luid.
Meneer van Duin keek om en lachte vriendelijk. De vrouw vroeg om een handtekening, of eigenlijk vroeg de man het, maar zij gaf de pen en het papiertje.
De man en de vrouw hadden allebei grijze haren. De man droeg een blauw zeiljack en had zijn rits open. De vrouw droeg een dikke, witte trui.
Meneer van Duin lachte erg vriendelijk maar zijn ogen lachten niet mee. Hij baalde en had geen zin in handtekeningen en verhalen over dat ze hem vroeger zo leuk vonden met die revue en Corrie van Gorp en die gekke bekken van hem. Hij had daar geen zin in. Hij wilde koffie drinken om de hoek, krantje erbij, een koekje in plastic. Beetje nadenken over hoe leuk het vroeger was met die revue en Corrie van Gorp. Dat ie toen heel grappig was en de laatste jaren niet zo heel erg meer. Dat moet ie weten, dat kan niet anders.
Meneer van Duin krabbelde zijn handtekening op het papiertje. Het was een half afgescheurde envelop, er liep een gele rand overheen. Het leek op een envelop van de Nuon. Ik begreep heel goed waarom hij er de pest in had.