21
21 december 2009Mijn rem blokkeerde, ik liet mijn fiets op de grond stuiteren. Ik kneep een aantal keer in de rem en toen schoot ie los. Het park was wit. Op het lange, rechte stuk evenwijdig aan de Overtoom stonden twee wagentjes van de gemeente. In de gloed van de oranje zwaailichten waren de twee bestuurders met elkaar aan het praten.
“Goedemorgen”, zei ik.
Ik was de eerste die vandaag over het paadje tussen de naaldbomen reed. Het bruggetje was glad en op het grasveld stonden zeker twintig sneeuwpoppen. Sommigen waren omgevallen of kapotgeschopt. Er waren weinig fietsers op de weg, bijna geen auto’s ook.
Als ik mijn hoofd draaide schoof mijn koptelefoon van mijn oor. Dat kwam door de capuchon van mijn jas. Het is een warme jas. Niet iedereen vind mijn jas mooi, maar ik wel. Op de weg lagen hopen sneeuw en ik kon moeilijk overeind blijven. Het begon heel hard te sneeuwen en ik zat gebogen op mijn fiets. Zo nu en dan kwam ik een andere fietser tegen en dan keken we elkaar aan. Het ging allemaal niet snel en praktisch was het zeker niet. Maar we fietsten door de sneeuw, in een mooie, witte stad.

Als ik ergens naar de wc ga, bijvoorbeeld in een café of op kantoor, dan was ik altijd graag mijn handen. Na het toiletbezoek draai ik dan met mijn ongewassen handen de kraan open, dan begint de daadwerkelijke reiniging, en vervolgens draai ik met mijn schone handen de kraan weer dicht. Maar als iedereen die kraan opendraait met zijn vieze handen en ik na het wassen diezelfde kraan weer moet beroeren, dan heeft het toch allemaal geen enkele zin?