Es
29 april 2010
We hebben sinds een maand of wat nieuwe onderburen. Ze bevallen me niet.
Vanaf het moment dat ze de sleutel hebben gekregen, zijn ze aan het verbouwen geslagen. Al maandenlang wordt er geboord, gehakt, gezaagd en Pools geschreeuwd. Het gaat door merg en been.
Hoe het geluid van een beukende boor in een betonnen muur je dag kan verkloten. Dat je net lekker zit, koffie erbij, sigaretje, laptop en dan dat snerpende, gierende geluid van een slijptol. De muizen die via de spouwmuren bij ons in het appartement terecht zijn gekomen en daar rondrennen als dolle honden. Daar kan een briefje met sorry voor de overlast allemaal geen moer aan veranderen. Het is een leeg gebaar zo’n briefje. Een beleefd maar leeg gebaar.
Maandagavond zaten we aan tafel en keken allebei naar de mooie, grote boom in de binnentuin. Hij – een es volgens mij – staat in bloei. Toen ik gisteravond thuiskwam zag ik geen bloesem meer. De boom was tot twee meter van de grond gesnoeid. Geen tak meer over.
Ik keek in de tuin van de onderburen en zag een Poolse man met een sigaret in zijn mond. Hij leunde met één been op een stapel vers hout.

Soms schrijf ik elke dag een stukje op deze site en dan weer wekenlang niets. Er zit weinig structuur in mijn bloggedrag. Het is ook niet niks natuurlijk. Een onderwerp verzinnen, stukje tikken, een plaatje erbij zoeken. En dat voor een schrijver.
Waar zou ik willen spelen als ik profvoetballer zou zijn, laten we het daar eens over hebben.
In het dorpje in de Blue Mountains, een paar uurtjes rijden vanaf Sydney, waren niet veel toeristen. We hadden die dag kilometers door de bossen gelopen. Het was warm en we hadden zin in bier. Op de hoek van Bathurst Road zat een Irish Pub, hemelsbreed een meter of honderd van de Great Western Highway. We bestelden twee prachtige flesjes bier met lange nekken. Het personeel maakte een melige indruk. Ze lachten hard, dronken doorzichtig drank uit kleine glaasjes en hadden niet veel oog voor die paar klanten. Ik gooide wat muntgeld in de jukebox en selecteerde een nummer van het album Ten. Niet lang daarna kwam er iemand vanachter de bar vandaan, selecteerde een Iers nummer en liep hossend terug. Echt aardig vond ik dat niet. Even later bestelde ik nog twee flessen bier en het kleingeld dat ik terugkreeg gooide ik weer in de kast. Een iets minder heftig nummer nu. Ook dit nummer werd snel weggedrukt door aanstellerige doedelzakmuziek.
Langzaam maar zeker verandert mijn Gazelle Orange Limited (Blue) in een ordinaire, lelijke stadsfiets. De versnelling heeft het zwaar te verduren, er zitten roestvlekken op het frame. De bovenkant van mijn kettingkast is afgebroken waardoor er regenwater in blijft liggen en dat kan nooit goed zijn. Hij rammelt. En sinds een week of wat heeft mijn fiets ook geen verlichting meer. Dus nu moet ik ook die vreselijk brave lichtjes met elastische lusjes aan mijn stuur en bagagedrager gaan hangen. Lekker rock ’n roll.
Ik was afgelopen weekend even in mijn oude appartement in Alkmaar. De huurder was vertrokken en ik zat in mijn eigen woonkamer waar ik al twee jaar niet meer had gezeten. De geur van toen hing er nog. Ik keek uit het raam, zag het bruggetje, de Waagtoren, het Mexicaanse restaurant waar ik nooit heb gegeten. Ik stak een sigaret op en de rook kringelde omhoog langs de ramen, naar het zonlicht. De koffie die ik om de hoek had gehaald was niet heel warm meer. Mijn sigaret drukte ik uit op de plastic deksel.
Mijn debuutroman verschijnt bij Uitgeverij Contact en daar ben ik heel blij mee. Een warme uitgeverij met geweldige schrijvers en fijne mensen. Een mooi grachtenpand met lange, houten vloerdelen, glazen wanden, een dakterras voor de rokers en een normaal koffiezetapparaat. Als het een uitgeverij was geweest zonder houten vloerdelen was het ook prima natuurlijk. Maar alleen al uit die houten vloer spreekt de warmte die ik belangrijk vind. Uit andere dingen blijkt het enthousiasme en vertrouwen en daar ben ik natuurlijk nog veel gevoeliger voor.
Ik heb vorig jaar al eens geschreven dat ik een band had ontdekt die al zolang bestond dat het gênant was dat ik er pas in 2009 achter kwam: Madrugada. Een Noorse band die jullie waarschijnlijk allemaal al kennen en intussen ter ziele is gegaan. Meeslepende muziek, dat vooral wordt gekenmerkt door die prachtige stem van de zanger en de slide van de gitarist. Beetje bluesy zelfs. Die gitarist is overleden op zijn 31e en de band is opgedoekt. Drama, ik heb daar iets mee. Anderhalf jaar geleden ontdekte ik het album The Deep End. Gisteren ben ik maar eens gaan zoeken naar de rest van hun werk. Man man, er staat me nog zoveel te wachten. Nog vier cd’s op precies te zijn. En een live-album. Maar met live-albums heb ik dus niks. Dat gejuich en gefluit tussen die nummers door, het is vreselijk. Tijdens een concert vind ik het gefluit en (nog erger) gejoel met hoge stemmetjes al knap irritant, laat staan dat ik daar een cd van op ga zetten. In het comfort van mijn eigen huis, notabene. Ik dacht het niet.