Ongezond
Het was zomer en we werkten voor twee gulden vijftig per uur op het land. Bollen rapen in de polder. We lagen in lange, omgeploegde greppels en graaiden met onze handen in de aarde naar de bollen. Sommige bloembollen waren beschadigd. Het rottingsproces zorgde voor een ondraaglijke stank. Een geur die aan je handen bleef plakken als lijm. De boer rookte aan het eind van de greppel een shagje. Wij rookten ook, tijdens het werk, voorovergebogen, kruipend door de aarde. Toen we aan het eind van de greppel naast de boer stonden, vertelde hij dat niet gezond was om in voorovergebogen positie een sigaret te roken. Hij boog voorover, wees naar zijn borstpartij en zei dat met deze houding de rook in je longen bleef hangen. ‘Da’s ongezond,’ riep ie. Over de gevolgen van de voorovergebogen werkhouding, het tillen van te zware bollenkisten en de voortdurende belasting van onze jonge ruggen heeft ie het nooit gehad. Op vrijdag reden we na het werk naar de boerderij en kregen ons zakje met geld. ‘Tot maandag,’ zei de boer. ‘Tot maandag,’ zeiden mijn vrienden. Thuis stond ik lang onder de douche, rook de lucht van rotte bloembollen, kokhalsde en beloofde mezelf nooit meer op het land te gaan werken.
