Blog

03
jul

When soul meets body

We speelden dit weekend met ons oude voetbalteam op een voetbaltoernooi in Volendam. Het werd een vroegertje, de eerste wedstrijd begon al om half tien en ik pakte de bus van kwart voor negen. Verder zat er niemand in de bus, ik was de enige passagier.
Het was vijf jaar geleden dat ik voor het laatst had gevoetbald. Tijdens de eerste wedstrijd probeerden mijn hersenen mijn lichaam bewegingen te laten maken die vijf jaar geleden nog haalbaar waren. Het hoofd wilde verder waar het in 2012 mee was gestopt, maar mijn lichaam dacht daar anders over.
Een bal stuitte van de borst van de keeper, een korte sprint, ik strekte mijn been en ik kwam zeker anderhalve meter te kort. Een bal werd teruggelegd, ik wilde ‘m in de verre hoek draaien en produceerde een rollertje in de handen van de keeper.
Zo ging het de hele dag door. Ik keek mijn leeftijd recht in de ogen. Een urenlange confrontatie met een gezond maar beperkt lichaam.
In de laatste pot wilde ik een intikkertje binnentikken, maar ik tikte helemaal niets binnen. In plaats daarvan struikelde ik en dook met mijn linkerknie diep in dat verdomde kunstgras. Even later stond ik met tranen in mijn ogen een enorme schaafwond te desinfecteren met Dettol, het meest calvinistische ontsmettingsmiddel dat bestaat.
Kortom, het voetballen zelf viel nogal tegen.
Na afloop dronken we bier in de kantine en ik keek naar buiten, zag de zon doorbreken, voelde hoe melancholie zich in mijn hoofd oprichtte (vroeger vroeger vroeger) en ik klokte snel mijn eerste glas achterover en pakte het volgende biertje van het dienblad.

26
mei

Dit is mijn club

europaleaguefinale_headerMijn maat zei iets wezenlijks, toen we woensdagavond rond half elf de Friends Arena uitliepen. ‘We hebben niet eens even kunnen juichen.’
Kansloos verloren van anti-voetbal. Als een nachtkaars. De spanning die zich de laatste maanden in onze lichamen had opgebouwd, had zich geen weg naar buiten kunnen vinden. Geen explosieve ontlading.
Dinsdag vertrokken we via Düsseldorf naar Stockholm en ik werd gevraagd om een korte voorbeschouwing te geven op de Nederlandse en Belgische radio. Ter voorbereiding noteerde ik wat in mijn notitieboekje en toen ik zo alles op een rijtje zette, zag ik een rode lijn die ineens overkwam als méér dan alleen toeval. Sinds de dood van Johan Cruijff leken alle puzzelstukjes op z’n plaats te vallen. De aanstelling van Peter Bosz – een trainer met wellicht de puurste Cruijff-filosofie van alle Nederlandse trainers -, de naamwijziging van ons stadion in de Johan Cruijff Arena – een besluit dat Ajax vleugels leek te geven tegen Schalke 04 en Lyon -, deze finale, die precies 14 maanden na de dood van Johan plaatsvond én precies 22 jaar na winst van de Champions League in 1995. Opnieuw een piepjonge Kluivert in het team.
Ik ontwaarde een Goddelijk plan.
Het kon toch niet anders dan dat Johan Cruijff in hoogsteigen persoon vanuit de hemel aan de touwtjes aan het trekken was, concludeerde ik vastberaden, na twee halve liters Duits bier op het vliegveld in Düsseldorf.
Al die overeenkomsten met het verleden resoneerden bij mij met die oude, diep weggezakte, intens trotse clubliefde uit de jaren negentig. Een gevoel dat bij mij sinds 1998 langzaam plaats had gemaakt voor een ander soort clubliefde; Een meer naar binnen gekeerd, gedesillusioneerd, frustrerend type, waar veel meer lijden in besloten lag dan de jaren ervoor. Nationaal telden we nog steeds mee, natuurlijk, maar internationaal succes behalen gaat gepaard met een ander gevoel, veel intenser, groter en allesomvattend. Iets dat hoogstwaarschijnlijk alleen Ajax-supporters kennen als ze op vakantie zijn in Spanje, Azië of Zuid-Amerika en met locals aan de praat raken over hun club.
Het verleden had opzichtig contact gezocht met het heden – of was het andersom? – en alles was ineens met elkaar verbonden. Dit was meer dan een voetbalwedstrijd, dit was de strijd tegen de miljarden, de hegemonie van de rijke competities en arrogante sterspelers van 100 miljoen. Dit was David tegen Goliath. Dit was Ajax – Milan op een regenachtige septemberavond in 1994, naast mijn vader en broer in het Olympisch Stadion. Dit was Real Madrid – Ajax en de staande ovatie van het Madrileens publiek. Dit kon niet meer misgaan.
In de Friends Arena. Ruim voor de wedstrijd zat het Ajax-vak al volledig vol. Overal Ajacieden, ook op de lange zijde. Het leek wel een thuiswedstrijd. We sloegen elkaar op de schouders, omhelsden elkaar. We zijn er gewoon bij.
Een paar uur later was het over. De ploeg van ruim 300 miljoen had een bus geparkeerd om de jochies van Ajax te stoppen. En dat was gelukt.
In het warme, nachtelijke Stockholm zochten we naar een bar om de scherpe kantjes van het verdriet te drinken, maar in onze wijk was alles dicht. Het was middernacht, we liepen doelloos over straat. Ik keek naar de hemel. Over vier uurtjes zou de zon weer opkomen, net als de nacht ervoor. Het is hier in Zweden deze maanden maar heel kort donker.
De volgende ochtend de vlucht terug naar Dusseldorf, daarna de rit naar Amsterdam. We waren stil, spraken zo nu en dan over andere dingen dan voetbal. Af en toe een diepe zucht.
Ik schrijf dit terwijl ik nog steeds mijn Ajax-shirt draag. Mijn hoofd bonst, pijnlijk opgetrokken schouders, spierpijn in de benen. Geen explosieve ontlading. De komende dagen zal de spanning langzaam maar zeker mijn lichaam verlaten. Alleen de trots blijft, voor altijd.

19
jan

Blijven liggen

Er stond vanochtend een gozer met een korte broek en een t-shirt op het Amstel Station. Een statement maken is goed, dacht ik, ik houd van mensen die statements maken, maar dit gaat te ver. Ik bestelde een koffie en een croissant en dacht aan de versnelling op mijn fiets die al dagen bevroren is. Blijven fietsen in z’n twee, er zit niets anders op.
Zaterdag fietste ik midden in de nacht door het Noorderpark naar huis. Het ijzelde, spekglad was het. Geen onverwachte bewegingen maken, subtiel sturen in de bochten. Maar toch, ondanks mijn feilloze controle begon op het lange rechte stuk langs het kanaal mijn achterwiel te glijden. Ik probeerde nog te corrigeren, alles terug te draaien, maar het was te laat. Een harde klap. Vloeken, onmiddellijk opstaan, kijken of alles het nog doet en hup door naar huis. Pas toen ik in bed lag voelde ik de pijn. In mijn heup, de rechterknie.
Dit had ik eerder meegemaakt. Een paar jaar geleden fietste ik op een zwoele zomeravond naar huis na een zeldzaam bezoek aan café Zwart. Op de Kinkerstraat sloeg een automobilist rechtsaf, hield even in, zag mij niet en gaf toen gas. Ik vloog door de lucht en dacht de hele tijd ‘Niet op je hoofd landen. Niet op je hoofd landen’. Ik landde inderdaad niet op mijn hoofd. Snel checken of alles het nog doet, een korte babbel met de chauffeur (sorry, sorry), stuur rechtzetten en hup, door naar huis. Pas daar zag en voelde ik de schade. Mijn broek en overhemd gescheurd, grote schaafwonden over mijn hele zij, een diepe wond in de rechterelleboog.
Het is de adrenaline. Pas als alles een beetje tot rust komt en de adrenaline verdwijnt, begin je het te voelen.
Geldt voor alles eigenlijk. Na een tegenslag altijd maar weer proberen om zo snel mogelijk in beweging te komen. Alles vergeten, doorgaan, niets voelen. Terwijl ook daarvoor geldt: Als je omvalt, blijf dan gewoon een tijdje liggen.

17
jan

Scheiding

Op Facebook kom ik regelmatig de (mooie) columns tegen van een bevriende schrijfster waarin ze schrijft over haar scheiding. Een paar jaar geleden was er ook een schrijver die dat deed. Een aantal keren per week de hele shit, het drama, de tranen en de verscheurde levens in een blog op het internet zetten. Onbewimpeld tot in detail beschrijven hoe levens van elkaar worden losgetrokken. Ik begrijp er niets van. Een aantal jaren geleden gingen ik en de moeder van mijn kinderen uit elkaar. Een vreselijke tijd. Maar geen moment overwogen om daarover te schrijven.
Die neiging van sommige schrijvers om jezelf helemaal binnenstebuiten te keren in columns, waar komt die vandaan? Zelfonderzoek? Therapie? Troost en aandacht (‘Herkenbaar!’ ‘Sterkte!’)? Zou het niet helpen om er juist níet over te schrijven als je in een vervelende fase van je leven zit?
Nog iets wat ik op Facebook langs zag komen: Iemand riep op om naar een demonstratie tegen haat te komen. In de hoop om aan te kunnen sluiten bij een gratis MDMA-verstrekkende bijeenkomst, klikte ik op het linkje en toen bleek de demonstratie alleen bedoeld te zijn tegen de haat van Trump en Wilders. Dus niet tegen alle haat.
Jammer, denk ik dan. Gemiste kans. Waarom niet een demonstratie tegen universele haat? Ben ik vrijdag ook welkom als ik tevens wil demonstreren tegen de haat van Poetin of IS?
Ik bedoel, alle weerstand tegen Trump en Wilders is gewenst, maar toch, niemand heeft patent op haat, iedereen doet het. Ik had het afgelopen zomer op Twitter nog aan de stok met een behoorlijke agressieve journaliste en haar gevolg. Natuurlijk niet van het niveau Trump of Wilders maar wel een voorbeeld van de steeds meer uitdijende, dagelijkse huis-, tuin- en keuken-haat van zowel links en rechts die je vooral op social media tegenkomt. En elkaar maar napraten. En van gekkigheid niet mee weten wat je vanuit je pure, authentieke Green Day-rebellie moet doen om op te vallen. Zoals die platenbaas van TopNotch die een agressieve vlogger een contract aanbiedt. En types die op Twitter oproepen om op diezelfde agressieve vlogger te stemmen voor Zaankanter van het Jaar. Het impliciet en expliciet goedkeuren en ondersteunen van haatdragend gedrag: ik zie het overal. Maar goed, daar gaat het aanstaande vrijdag dus allemaal niet over. Dat is een demonstratie tegen de haat van Trump en Wilders. Het is een begin.

14
nov

Tenzij

In het boek Tenzij de Vader van Karin Amatmoekrim schrijft ze over haar vader, die zijn leven leeft alsof het ieder moment over kan zijn. Avonturen, overal vrouwen, veel drank en dromen die geleefd worden. Haar vader vrat het leven op. Ze schrijft over die levensstijl dat bijna niemand zo leeft omdat het simpelweg te vermoeiend is.
‘Nee,’ zei ik tegen haar, in een café in Antwerpen, ‘dat is het niet.’
Het is niet zo dat het te vermoeiend is, maar omdat mensen het simpelweg niet kúnnen. Iedereen wil controle. Als we alle controle opgeven en als een razende tol door ons leven vliegen, kegelen we alles en iedereen omver die ons lief is. De meeste mensen razen niet door hun leven omdat ze juist dát dichtbij willen houden. We houden de controle. Bij alles wat we doen schatten we in wat de gevolgen zijn, hoe ze uit gaan pakken, welke effect het heeft. Eigenlijk is het juist dit leven dat te vermoeiend is. De mensen dichtbij houden; dáár zijn we iedere avond zo moe van.
We namen nog een drankje. We zagen Gerbrand Bakker aan de bar een zakje chips bestellen.

12
apr

Nerveus

De bevriende boekhandelaar en ik hadden kaartjes voor Richmond Fontaine, maar we stonden aanvankelijk in de verkeerde zaal naar een andere band te kijken die bestond uit twee jongens met een baard. Samen bespeelden ze vijf instrumenten en er stond ook een laptop op het podium. Ze droegen allebei een flinke bril. Toen we eindelijk in de juiste zaal stonden, was Richmond Fontaine al begonnen. Er waren veel mensen uit het literaire circuit, er hing een muffe oude mannenlucht in de zaal, een blonde vrouw danste.
De band speelde zeer verdienstelijk. Na afloop sprak de bevriende boekhandelaar een tijdje met de zanger van de band, Willy Vlautin, hij herkende haar nog van een jaar geleden. Om hen heen schaarden zich allerlei oudere mannen, allemaal azend op een handtekening, of desnoods een handdruk. Ik zag hoe een grijze dame door haar vriendin naar Willy toe werd geduwd. Ze duwde haar niet ver genoeg, de grijze dame hield bij mij halt en begon in het Engels tegen mij te praten. Ze zei dat ze bij de televisie werkte. Ik wist mij geen raad met deze informatie, wees naar Willy en zei dat ze waarschijnlijk niet met mij, maar met hém wilde praten. Dat bleek inderdaad het geval te zijn.

30
nov

De maan

Altijd lekker, zo’n windstille dag na een stevige herfststorm. Alles is schoon en doorgewaaid. Ons balkon lijkt te zijn gereinigd met een hogedrukspuit.
Vrijdagavond hadden mijn zoons hun schoentjes gezet en sinterklaasliedjes gezongen. Vier van de vijf liedjes werden voortijdig afgebroken omdat er onduidelijkheid ontstond over de songteksten.
De volgende ochtend werden ze erg vroeg wakker en vroegen of ze in hun schoen mochten kijken. Dat mocht natuurlijk, ik liep mee en zag ze naar de huiskamer rennen. En ik keek door de grote ramen naar de donkere ochtend en het schouwspel van de door de maan verlichte wolken en de lichtjes van de stad. De jongste zag het ook, negeerde de pepernoten en het cadeautje, wees naar buiten en riep: ‘De maan!’

26
nov

Song for Zula

Vijfeneenhalf jaar geleden bezocht ik in Utrecht een concert van David Gray. In het voorprogramma stond Phosphorescent, een man met warrig haar en een gescheurde spijkerbroek. Hij werd niet begeleid door een band, hij had alleen een sampler waarmee hij melodieën en ritmes afspeelde. Tussen zijn nummers door dronk hij uit een flesje Grolsch-bier. Toen kende ik hem nog niet, maar sindsdien heb ik veel naar zijn muziek geluisterd. Hij heeft één van de meest hartverscheurende liefdesliedjes ooit geschreven, waarin hij zingt over de liefde als iets vreselijks, als iets dat hem kapot maakt, verder van zichzelf af laat drijven.
Hij zingt:
‘So some say love is a burning thing.
That it makes a fiery ring.
All that I know love as a caging thing.
Just a killer come to call from some awful dream.’

24
nov

Blind

Ooit vroeg ik eens aan een collega hoe lang ze al zwanger was terwijl ze niet zwanger bleek te zijn. Dat viel niet goed. Het was attent bedoeld, maar soms blijven goede intenties door een ongelukkige combinatie van factoren verscholen achter een kil misverstand. Sindsdien probeer ik niet meer overdreven attent te zijn als het om vermeende zwangerschappen gaat.
Ik stond gisteren bij de bushalte te wachten. Ik was de eerste en een paar minuten later kwam er een man met kort stekelhaar bij. Toen de bus arriveerde, wurmde hij zich met veel moeite tussen mij en de bus en stapte in. Sommige mensen zijn totaal blind voor andere personen in hun omgeving óf extreem egoïstisch en het zijn waarschijnlijk juist die mensen die iedere nacht prima slapen en zich nergens zorgen over maken.

23
nov

Doornstruik

Mijn oudste zoontje sloeg vorige week tegen een tak die van een doornstruik bleek te zijn. De tak zwiepte terug en de doorns trokken bloederige strepen in zijn gezicht. Hij schrok en begon te huilen. Ik heb hem al heel vaak gezegd dat hij niet tegen struiken en boompjes moet slaan. Dat zei ik tegen hem. Ik zei: ‘Ik heb al heel vaak gezegd dat je niet moet slaan en vandaag zijn we een struik tegengekomen die het niet pikt als ‘ie wordt geslagen.’
Hij hield zijn hand op zijn gekraste gezicht, keek over zijn schouder naar de doornstruik.
‘Maar niet alle takken hebben prikkels,’ zei hij.
‘Dat klopt,’ zei ik.

20
nov

Zand

Het stormde op het strand. Beneden, achter de duinen viel het nog wel mee, maar toen we de trap opliepen en daarmee de luwte ontstegen, ontnam de wind ons de adem. Ik hield ze stevig vast. De jongste vond het eng. Op het mulle deel van het strand vloog het zand manshoog en horizontaal van links naar rechts.
‘Nu allemaal ogen dicht,’ zei ik en we liepen voorovergebogen door de zandstorm naar de zee.
Die zee raasde en bulderde, de jongens schreeuwden het uit van plezier en spanning, meeuwen krijsten.
‘Nog een keer,’ riep de oudste, en hij pakte mijn hand, sloot zijn ogen en trok ons opnieuw door de muur van zand. ’s Avonds spoelde ik in bad stukjes strand uit hun haar en oren en stofzuigde ik de gang en het halletje.

19
nov

Aanslag

Na de aanslagen in Parijs zag ik op social media de gekste dingen langskomen. Veel plaatjes met tekst waarin tenenkrommende pogingen werden ondernomen om iets te creëren wat er niet was.
Iemand zei dat er tijdens de aanslagen ook moslims waren gedood. Alsof deze terroristische waanzin nu in een ander daglicht kwam te staan, het nu een heel ander verhaal werd en het minder erg was of juist nóg erger. Veel mensen, inclusief moslims, vinden het nog steeds erg lastig om moslims als gewone mensen te beschouwen.
Zoals gebruikelijk is bij dit soort gebeurtenissen, trokken alle partijen alles uit de kast om kromme dingen recht te praten. De onnadenkende massa ging erin mee. Ik hoorde mensen die ik redelijk hoog had zitten, de grootste onzin beweren. Dat is niet raar, want mensen zijn op zoek naar de juiste richting en lopen in die zoektocht weleens de verkeerde kant op. Maar toch, als dit soort aanslagen íets aan de oppervlakte brengen, is het wel dat de grootste idioten niet persé met bomgordels rondlopen, maar zich gewoon in je kennissenkring bevinden.

18
nov

Lacrosse

Op station Amstel stapte een Lacrosse-damesteam in de coupé. Ze hadden net een wedstrijd gespeeld.
‘Martine was erg goed vandaag,’ zei een van de meiden maar niemand zei iets terug. Ze begonnen over de competitie te praten, over de teams van Tilburg, Den Haag en Den Bosch en wie de afgelopen weken tegen elkaar punten hadden gepakt. Later kwam ik ze opnieuw tegen op Utrecht Centraal, waar ik wachtte op vrienden die in vertraagde treinen zaten. Die meiden stonden daar maar en draalden wat. Het leek erop dat ze niet naar huis wilden, geen afscheid van elkaar wilden nemen. Twee van hen gingen met hun stick tegenover elkaar staan en begonnen over te gooien. Toen greep de spoorwegpolitie in. Dat was niet de bedoeling.

17
nov

Zwart

Een paar maanden geleden had ik de televisie uit de berging gehaald en in de huiskamer gezet. Ik dacht dat de kinderen er misschien eens een film op wilden kijken maar daar bleken ze helemaal geen zin in te hebben. Mijn oudste zoontje stoorde zich aan het ding omdat hij op de lage kast nu minder plek had om met zijn lego te spelen. Het was een zwart gat en niemand keek ernaar, het stond alleen maar in de weg. Zaterdagochtend pakte ik het plankje met wieltjes, trok de kabels uit de achterkant van de televisie, tilde het ding op het karretje en reed hem terug naar berging. Het zwarte gat staat nu in het hoekje achter doeken en schilderijen, naast de stofzuiger.
De grote, zware stenen Ganesh heb ik naar het midden van de lage kast geschoven, in de hoek op de luidspreker staat het kleine schemerlampje dat ik vorige week in een kringloopwinkel kocht.

13
nov

Hout

Gisteren won Jeroen Brouwers de ECI Literatuurprijs met Het Hout. Het is één van de weinige boeken waar ik dit jaar niet doorheen kon komen; ik heb het na een pagina of veertig opzij gelegd. Dat zegt dus niets, dat blijkt maar weer. Ik zal Het Hout binnenkort opnieuw proberen te lezen, als ik klaar ben met Wereld en Wandel van Michael K, van Coetzee. Je weet maar nooit, het zal niet de eerste keer zijn dat ik een boek opzij leg en het later bij een nieuwe poging omarm als een verloren liefde.
Ik heb dit jaar meerdere romans gelezen die ik niet goed vond (of niet goed genoeg – waarbij ik me afvroeg waarom de redacteur er niet wat harder met de zweep overheen was gegaan) en waar vervolgens lovende recensies over verschenen. Ik heb geweldige boeken gelezen die werden gekraakt door kenners. Wie is er dan gek? Niemand natuurlijk. Het zegt allemaal niets, het zijn maar meningen. Veelal waardeloze meningen, totdat ze € 50.000,- opleveren.

p.s. Barry Smit stuurde mij via Twitter dit artikel van Tim Parks toe: ‘How could you like that book’