26
mei

Dit is mijn club

europaleaguefinale_headerMijn maat zei iets wezenlijks, toen we woensdagavond rond half elf de Friends Arena uitliepen. ‘We hebben niet eens even kunnen juichen.’
Kansloos verloren van anti-voetbal. Als een nachtkaars. De spanning die zich de laatste maanden in onze lichamen had opgebouwd, had zich geen weg naar buiten kunnen vinden. Geen explosieve ontlading.
Dinsdag vertrokken we via Düsseldorf naar Stockholm en ik werd gevraagd om een korte voorbeschouwing te geven op de Nederlandse en Belgische radio. Ter voorbereiding noteerde ik wat in mijn notitieboekje en toen ik zo alles op een rijtje zette, zag ik een rode lijn die ineens overkwam als méér dan alleen toeval. Sinds de dood van Johan Cruijff leken alle puzzelstukjes op z’n plaats te vallen. De aanstelling van Peter Bosz – een trainer met wellicht de puurste Cruijff-filosofie van alle Nederlandse trainers -, de naamwijziging van ons stadion in de Johan Cruijff Arena – een besluit dat Ajax vleugels leek te geven tegen Schalke 04 en Lyon -, deze finale, die precies 14 maanden na de dood van Johan plaatsvond én precies 22 jaar na winst van de Champions League in 1995. Opnieuw een piepjonge Kluivert in het team.
Ik ontwaarde een Goddelijk plan.
Het kon toch niet anders dan dat Johan Cruijff in hoogsteigen persoon vanuit de hemel aan de touwtjes aan het trekken was, concludeerde ik vastberaden, na twee halve liters Duits bier op het vliegveld in Düsseldorf.
Al die overeenkomsten met het verleden resoneerden bij mij met die oude, diep weggezakte, intens trotse clubliefde uit de jaren negentig. Een gevoel dat bij mij sinds 1998 langzaam plaats had gemaakt voor een ander soort clubliefde; Een meer naar binnen gekeerd, gedesillusioneerd, frustrerend type, waar veel meer lijden in besloten lag dan de jaren ervoor. Nationaal telden we nog steeds mee, natuurlijk, maar internationaal succes behalen gaat gepaard met een ander gevoel, veel intenser, groter en allesomvattend. Iets dat hoogstwaarschijnlijk alleen Ajax-supporters kennen als ze op vakantie zijn in Spanje, Azië of Zuid-Amerika en met locals aan de praat raken over hun club.
Het verleden had opzichtig contact gezocht met het heden – of was het andersom? – en alles was ineens met elkaar verbonden. Dit was meer dan een voetbalwedstrijd, dit was de strijd tegen de miljarden, de hegemonie van de rijke competities en arrogante sterspelers van 100 miljoen. Dit was David tegen Goliath. Dit was Ajax – Milan op een regenachtige septemberavond in 1994, naast mijn vader en broer in het Olympisch Stadion. Dit was Real Madrid – Ajax en de staande ovatie van het Madrileens publiek. Dit kon niet meer misgaan.
In de Friends Arena. Ruim voor de wedstrijd zat het Ajax-vak al volledig vol. Overal Ajacieden, ook op de lange zijde. Het leek wel een thuiswedstrijd. We sloegen elkaar op de schouders, omhelsden elkaar. We zijn er gewoon bij.
Een paar uur later was het over. De ploeg van ruim 300 miljoen had een bus geparkeerd om de jochies van Ajax te stoppen. En dat was gelukt.
In het warme, nachtelijke Stockholm zochten we naar een bar om de scherpe kantjes van het verdriet te drinken, maar in onze wijk was alles dicht. Het was middernacht, we liepen doelloos over straat. Ik keek naar de hemel. Over vier uurtjes zou de zon weer opkomen, net als de nacht ervoor. Het is hier in Zweden deze maanden maar heel kort donker.
De volgende ochtend de vlucht terug naar Dusseldorf, daarna de rit naar Amsterdam. We waren stil, spraken zo nu en dan over andere dingen dan voetbal. Af en toe een diepe zucht.
Ik schrijf dit terwijl ik nog steeds mijn Ajax-shirt draag. Mijn hoofd bonst, pijnlijk opgetrokken schouders, spierpijn in de benen. Geen explosieve ontlading. De komende dagen zal de spanning langzaam maar zeker mijn lichaam verlaten. Alleen de trots blijft, voor altijd.

Reacties ( 0 )

    Leave A Comment

    Your email address will not be published. Required fields are marked *