Ik weet het

17 februari 2012

De man in het rokerige café was zijn jas kwijt en keek wild om zich heen. Hij was erg kwaad. Voor een man die zo teleurgesteld leek te zijn over het verlies van zijn jas, had hij een bijzonder inefficiënte manier van zoeken. Hij stampte en draaide rondjes, liep in een streep naar de andere kant van het café, keek daar onder een paar jassen, liep in een streep weer terug en begon op dezelfde plek opnieuw te stampen en rondjes te draaien. De kans dat de boze man zijn jas zou terugvinden schatte ik laag in. Hij schreeuwde met grote, opengesperde ogen naar zijn vriendin.
Zijn vriendin schreeuwde terug. Ze zoog erg actief aan haar sigaret, zong mee met het liedje, danste er een beetje bij. De man liep heen en weer door het café. Keek telkens onder dezelfde jassen, schreeuwde steeds dezelfde dingen. En zijn vriendin bleef aan haar sigaret zuigen en meezingen met die vreselijke kutmuziek.
Toen keek hij mij aan, liep op mij af, bracht zijn gezicht naar de mijne en zei hijgerig: ‘Ik weet dat jij mijn jas niet hebt. Ik weet het. Ik weet het.’
Hij wees met zijn wijsvinger naar zijn ogen (ik heb alles gezien) en tikte daarna met dezelfde vinger op zijn slaap, alsof ie heel slim was.

Te laat

10 februari 2012

Ik fietste door het park en op de plas schaatsten mensen. Op de oever lagen tassen, fietsen en schoenen. Ik realiseerde me dat de winter hevig was, kouder dan voorgaande jaren, maar dat het voorlopige geruisloos aan mij voorbij was getrokken. Ik rook de kou, hoorde de ijzers op het ijs en nu pas voelde ik de winter. Het deed me weer eens aan vroeger denken.
Ik zag een man schaatsen. Goed door zijn knieën gebogen, pootje over in de bochten, de handen op de rug, zijn schaatsbeschermers stevig vastgeklemd. Het liefst bleef ik hier nog even staan, gewoon, kijken. Maar ik moest door. Deze dag bood geen ruimte voor ontspanning of romantisch gemijmer in een besneeuwd, sprookjesachtig park.
Die avond fietste ik langs de grachten. En ook hier op de grachten schaatsten tientallen mensen. Sommige hand in hand, heel rustig, als een dans. Anderen alleen, snel en doelgericht. De oranje straatverlichting gaf voldoende licht, je kon de hele stad door schaatsen als je wilde.
Ik had het liefst mijn fiets op een bruggetje gezet, een sigaret opgestoken en urenlang gekeken naar de mensen, het ijs en Amsterdam. Maar weer had ik geen tijd. Ik was al te laat.

Warm

3 februari 2012

Toen we weer in Nederland waren, spraken we af op een vrijdag. En toen we elkaar zagen, hield ik je lang vast, rook ik jouw geur in je hals, zag ik jouw moedervlek op je wang en was er weer het moment dat ik alles voor je voelde. Net als daar in de warmte, met de muziek, de opkomende zon en al die andere mensen.
We zaten in jouw studentenwoning, in het raamkozijn. Het was warm. We dronken wijn. En de avond ging over in de nacht. Er liepen mensen over straat, er werd gelachen. De nacht maakte zomergeluiden. En jij sprak over vroeger en ik over de toekomst. We zagen de verschillen en we voelden de afstand groeien. We zeiden er niets over, maar wisten allebei dat het tussen ons nooit meer zou zijn als daar. We bedreven de liefde zoals mensen dat doen die droevige gedachten delen. We sliepen niet. De ochtend kwam. Ik vertrok. Daarna zagen we elkaar nog drie keer en toen nooit meer.

Verlaten

27 januari 2012

Ik zat vorige week in een verlaten bungalowpark te schrijven aan mijn tweede roman. Overdag schreef ik wat, wandelde ik over de heide en door bossen en zorgde voor genoeg brandhout voor de open haard. Na vijf uur mocht ik pas een borrel. Dan stak ik eerst de open haard aan en als ie goed brandde nam ik een biertje en dan begon ik pas echt. Rond half acht eten, daarna koffie en weer door. Als ik ‘s avonds buiten een sigaret stond te roken, luisterde ik naar de stilte en dacht na over mijn verhaal. Telkens als ik daar stond, ontstond er ineens weer een scène in mijn hoofd, rookte ik snel mijn sigaret op, ging ik weer aan het te lage tafeltje zitten en schreef ik verder. Het ging maar door en ik werd er zo verdomd gelukkig van. Soms zaten er konijnen naast mij in het gras, heel dichtbij. ‘s Nachts in bed werd ik wakker gehouden door muizen die over het plafond liepen. Ook heel dichtbij.

Gedicht

25 januari 2012

Altijd
is Kortjakje

Ziek

Midden in de week
maar
Zondags
Niet

Zondags
Gaat zij
Naar de kerk
Met
Een boek
Vol zilverwerk

Altijd
Is
Kortjakje

Ziek

Grijs

23 december 2011

Ik was op een begrafenis in Oostzaan. Mijn collega lag in de kist en zijn vrouw en dochters zaten er volledig verslagen bij. Ik vroeg me af hoe de man die hem had doodgereden er bij zat en hoe belangrijk het nu voor hem was om door rood te rijden. Ik voelde veel woede. Ik ben beter in staat om woede te voelen dan verdriet toe te laten, realiseerde ik me daar, op het oncomfortabele houten kerkbankje.
Er waren meer boze mensen maar nog veel meer intens verdrietige mensen.
Ik dacht eraan dat wij straks weer in de auto zouden stappen, er van weg konden rijden, het achter ons konden laten. Alsof je wakker wordt en je je realiseert dat het maar een droom was. De opluchting. En straks kerst vieren met geliefden en vrienden.
De dienst duurde ongeveer een uur. Er werden mooie dingen gezegd en natuurlijk muziek gedraaid. Daarna werd de kist door vrienden en familie naar de begraafplaats gedragen. Daar wierp de vrouw van mijn collega zich op de kist. Ik keek in de verte, naar de kale bomen en de grijze lucht. De kou was tot in mijn botten doorgedrongen. Ik rilde en dacht aan thuis.

Academica Literatuurprijs

20 december 2011

Als je de stad binnenrijdt staat samen met 9 andere titels op de longlist van de Academica Literatuurprijs 2012.

Ongezond

9 december 2011

Het was zomer en we werkten voor twee gulden vijftig per uur op het land. Bollen rapen in de polder. We lagen in lange, omgeploegde greppels en graaiden met onze handen in de aarde naar de bollen. Sommige bloembollen waren beschadigd. Het rottingsproces zorgde voor een ondraaglijke stank. Een geur die aan je handen bleef plakken als lijm. De boer rookte aan het eind van de greppel een shagje. Wij rookten ook, tijdens het werk, voorovergebogen, kruipend door de aarde. Toen we aan het eind van de greppel naast de boer stonden, vertelde hij dat niet gezond was om in voorovergebogen positie een sigaret te roken. Hij boog voorover, wees naar zijn borstpartij en zei dat met deze houding de rook in je longen bleef hangen. ‘Da’s ongezond,’ riep ie. Over de gevolgen van de voorovergebogen werkhouding, het tillen van te zware bollenkisten en de voortdurende belasting van onze jonge ruggen heeft ie het nooit gehad. Op vrijdag reden we na het werk naar de boerderij en kregen ons zakje met geld. ‘Tot maandag,’ zei de boer. ‘Tot maandag,’ zeiden mijn vrienden. Thuis stond ik lang onder de douche, rook de lucht van rotte bloembollen, kokhalsde en beloofde mezelf nooit meer op het land te gaan werken.

Stam

8 december 2011

Toen ik thuiskwam zag ik dat de grote boom in de binnentuin onder handen werd genomen. Er stond een man in de boom met een gordel, een veiligheidskabel en een kettingzaag. De hoogste takken waren al verwijderd, ik zag alleen nog een kale stam. Hij zaagde stukken stam af, omarmde het afgezaagde stuk, draaide zijn bovenlichaam en liet ze vallen. De stukken hout kwamen met een doffe bons achter de schutting terecht, uit het zicht. De boom was binnen een middag verdwenen. Nooit meer gezien.

Geluidjes

7 december 2011

Elf maanden geleden lag mijn zoon in het bedje, zijn huid gaaf en nog wit van het huidsmeer. Hij droeg een mutsje van het ziekenhuis. We keken elkaar aan. Ik had 48 uur niet geslapen maar voelde geen vermoeidheid. Ik zat twee uur lang naast hem, hij huilde geen moment en we keken naar elkaar. Hij maakte geluidjes. Ik maakte geluidjes.