Ik weet het
17 februari 2012
De man in het rokerige café was zijn jas kwijt en keek wild om zich heen. Hij was erg kwaad. Voor een man die zo teleurgesteld leek te zijn over het verlies van zijn jas, had hij een bijzonder inefficiënte manier van zoeken. Hij stampte en draaide rondjes, liep in een streep naar de andere kant van het café, keek daar onder een paar jassen, liep in een streep weer terug en begon op dezelfde plek opnieuw te stampen en rondjes te draaien. De kans dat de boze man zijn jas zou terugvinden schatte ik laag in. Hij schreeuwde met grote, opengesperde ogen naar zijn vriendin.
Zijn vriendin schreeuwde terug. Ze zoog erg actief aan haar sigaret, zong mee met het liedje, danste er een beetje bij. De man liep heen en weer door het café. Keek telkens onder dezelfde jassen, schreeuwde steeds dezelfde dingen. En zijn vriendin bleef aan haar sigaret zuigen en meezingen met die vreselijke kutmuziek.
Toen keek hij mij aan, liep op mij af, bracht zijn gezicht naar de mijne en zei hijgerig: ‘Ik weet dat jij mijn jas niet hebt. Ik weet het. Ik weet het.’
Hij wees met zijn wijsvinger naar zijn ogen (ik heb alles gezien) en tikte daarna met dezelfde vinger op zijn slaap, alsof ie heel slim was.





Ik was op een begrafenis in Oostzaan. Mijn collega lag in de kist en zijn vrouw en dochters zaten er volledig verslagen bij. Ik vroeg me af hoe de man die hem had doodgereden er bij zat en hoe belangrijk het nu voor hem was om door rood te rijden. Ik voelde veel woede. Ik ben beter in staat om woede te voelen dan verdriet toe te laten, realiseerde ik me daar, op het oncomfortabele houten kerkbankje.
Het was zomer en we werkten voor twee gulden vijftig per uur op het land. Bollen rapen in de polder. We lagen in lange, omgeploegde greppels en graaiden met onze handen in de aarde naar de bollen. Sommige bloembollen waren beschadigd. Het rottingsproces zorgde voor een ondraaglijke stank. Een geur die aan je handen bleef plakken als lijm. De boer rookte aan het eind van de greppel een shagje. Wij rookten ook, tijdens het werk, voorovergebogen, kruipend door de aarde. Toen we aan het eind van de greppel naast de boer stonden, vertelde hij dat niet gezond was om in voorovergebogen positie een sigaret te roken. Hij boog voorover, wees naar zijn borstpartij en zei dat met deze houding de rook in je longen bleef hangen. ‘Da’s ongezond,’ riep ie. Over de gevolgen van de voorovergebogen werkhouding, het tillen van te zware bollenkisten en de voortdurende belasting van onze jonge ruggen heeft ie het nooit gehad. Op vrijdag reden we na het werk naar de boerderij en kregen ons zakje met geld. ‘Tot maandag,’ zei de boer. ‘Tot maandag,’ zeiden mijn vrienden. Thuis stond ik lang onder de douche, rook de lucht van rotte bloembollen, kokhalsde en beloofde mezelf nooit meer op het land te gaan werken.
Toen ik thuiskwam zag ik dat de grote boom in de binnentuin onder handen werd genomen. Er stond een man in de boom met een gordel, een veiligheidskabel en een kettingzaag. De hoogste takken waren al verwijderd, ik zag alleen nog een kale stam. Hij zaagde stukken stam af, omarmde het afgezaagde stuk, draaide zijn bovenlichaam en liet ze vallen. De stukken hout kwamen met een doffe bons achter de schutting terecht, uit het zicht. De boom was binnen een middag verdwenen. Nooit meer gezien.
Elf maanden geleden lag mijn zoon in het bedje, zijn huid gaaf en nog wit van het huidsmeer. Hij droeg een mutsje van het ziekenhuis. We keken elkaar aan. Ik had 48 uur niet geslapen maar voelde geen vermoeidheid. Ik zat twee uur lang naast hem, hij huilde geen moment en we keken naar elkaar. Hij maakte geluidjes. Ik maakte geluidjes.